Centrale Raad van Beroep, 13-10-2015 / 14/5685 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:3514

Inhoudsindicatie
Herziening en terugvordering bijstand. Alsnog verrekenen van pensioen. Geen zesmaandenjurisprudentie.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-13
Publicatiedatum
2015-10-19
Zaaknummer
14/5685 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
Uitspraak

14/5685 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

1 september 2014, 14/3910 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.L.M. Vreeswijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 1 september 2015. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt sinds 12 december 2010 bijstand, ten tijde in geding, ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.


1.2.

Bij besluit van 24 januari 2014 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 12 december 2010 herzien op de grond dat uit onderzoek is gebleken dat appellant maandelijks een pensioen van € 100,50 van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) ontvangt.


1.3.

Bij besluit van 3 februari 2014 heeft het college met toepassing van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB de ten gevolge van de herziening teveel betaalde bijstand over de periode van 12 december 2010 tot en met 31 oktober 2013 van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 3.457,08. Het college heeft hierbij opgemerkt dat hij met toepassing van artikel 6.1, derde lid, van de Beleidsregels WWB, IOAW en IOAZ (Beleidsregels) afziet van brutering van de vordering, omdat niet is gebleken dat de teveel verstrekte bijstand het gevolg is van een schending van de inlichtingenverplichting.


1.4.

Bij besluit van 16 mei 2014 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 24 januari 2014 en 3 februari 2014 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Tegen de herziening heeft appellant geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd. Aangezien voorts niet in geschil is dat appellant in de in 1.3 genoemde periode ten gevolge van de herziening te veel bijstand heeft ontvangen tot een bedrag van € 3.457,08, was het college bevoegd dit bedrag van appellant terug te vorderen. Gelet op wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, gaat het in dit geding uitsluitend om de wijze waarop het college gebruik heeft gemaakt van deze bevoegdheid.


4.2.

Appellant heeft in dit verband een beroep gedaan op de zogeheten zesmaandenjurisprudentie van de Raad. Hij voert in dat kader aan dat het college naar aanleiding van de aanvraag van appellant onderzoek heeft gedaan in Suwinet. Het college had gelet hierop bekend moeten zijn met het weduwenaarspensioen van appellant. Indien het college hier direct rekening mee had gehouden zou er geen terugvordering zijn ontstaan. Het college heeft echter de vordering op appellant in weerwil van de hem opgedragen taak onnodig laten oplopen.


4.3.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 24 augustus 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN5014) is de bevoegdheid van het bijstandverlenend orgaan om onverschuldigd betaalde bijstand terug te vorderen in tijd beperkt indien dit orgaan niet adequaat reageert op signalen waaruit het kan afleiden dat het teveel of ten onrechte uitkering heeft verstrekt. Een signaal is in dit verband relevante informatie van de betrokkene waaruit het bijstandverlenend orgaan concreet kan afleiden dat sprake is van een fout op grond waarvan het actie dient te ondernemen. Na een dergelijk signaal heeft het bijstandverlenend orgaan nog zes maanden om tot deze actie over te gaan. Over de periode gelegen na die zes maanden kan het dan geen gebruik maken van de bevoegdheid tot terugvorderen zonder in strijd te komen met het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank heeft met juistheid vastgesteld dat van een dergelijk signaal van appellant geen sprake is, zodat reeds daarom geen aanleiding bestond toepassing te geven aan de zesmaandenjurisprudentie. Het betoog van appellant dat deze jurisprudentie in zijn geval naar analogie moet worden toegepast slaagt niet, reeds omdat appellant zelf heeft nagelaten bij zijn aanvraag om bijstand eind 2010 melding te maken van zijn ABP-pensioen.


4.4.

Appellant heeft verder nog aangevoerd dat sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien. Appellant wijst daarbij op wat hij in bezwaar in dit verband heeft aangevoerd, te weten dat hij nog 18 maanden in de schuldsanering moet zitten en geen nieuwe schulden mag maken. Doet hij dat wel, dan kan de schuldsanering tussentijds worden beëindigd met verstrekkende gevolgen voor appellant.


4.5.

In artikel 6.1, eerste lid, van de Beleidsregels is bepaald dat het college in situaties als bedoeld in artikel 58, tweede lid, van de WWB de uitkering terugvordert. In het vierde lid is bepaald dat van terugvordering wordt afgezien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Van dringende redenen is sprake indien de terugvordering onaanvaardbare sociale en/of financiële consequenties voor de betrokkene heeft. Dat de terugvordering mogelijkerwijs nadelige gevolgen heeft voor het schuldsaneringstraject, betekent niet dat sprake is van onaanvaardbare consequenties.

4.6.

Uit 4.3 en 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2015.




(getekend) W.F. Claessens




(getekend) C.M. Fleuren




HD