Centrale Raad van Beroep, 11-02-2015 / 14-1679 WWAJ


ECLI:NL:CRVB:2015:352

Inhoudsindicatie
Geen recht op een Wajong-uitkering. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het uitgebrachte deskundigenrapport blijk geeft van een zorgvuldig onderzoek en dat het inzichtelijk en consistent is. De Raad ziet geen aanleiding nogmaals een deskundige te benoemen. Uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde beperkingen, bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat de geselecteerde functies in medisch opzicht niet passend zijn voor appellant.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-11
Publicatiedatum
2015-02-13
Zaaknummer
14-1679 WWAJ
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/1679 WWAJ

Datum uitspraak: 11 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

13 februari 2014, 11/789 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2014. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. F.A. Steeman.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren [in] 1965, heeft op 4 juni 2010 in verband met psychische

klachten een aanvraag ingediend op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong).


1.2.

Bij besluit van 5 november 2010 is appellant een Wajong-uitkering geweigerd.

Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 4 februari 2011

(bestreden besluit I) is dat bezwaar ongegrond verklaard.


2.1.

In beroep heeft het Uwv bij besluit van 6 juli 2011 (bestreden besluit II)

bestreden besluit I ingetrokken en het bezwaar van appellant, met een gewijzigde motivering, nogmaals ongegrond verklaard. Aan bestreden besluit II ligt een rapport van 28 juni 2011 ten grondslag, waarin een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep concludeert dat appellant op basis van een theoretische schatting in staat wordt geacht om minimaal 75% van het minimumloon te verdienen en om die reden niet voor een Wajong-uitkering in aanmerking komt.


2.2.

In een rapport van 17 november 2011 heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgesteld dat in het 17e jaar van appellant sprake was van de stoornis Asperger. De verzekeringsarts heeft de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op 17 november 2011 aangepast in verband met beperkingen als gevolg van de stoornis Asperger. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in een rapport van 22 november 2011 één geselecteerde functie laten vervallen en twee nieuwe functies geselecteerd. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat appellant 75% van het minimumloon kan verdienen.


2.3.

Appellant heeft een rapport van Ergatis van 7 november 2011 ingezonden, waarin de belastbaarheid van appellant is omschreven.


2.4.

De rechtbank heeft aanleiding gezien om appellant te laten onderzoeken door deskundige J.P.A. van Eck, psychiater. De rechtbank heeft de deskundige onder meer de vragen voorgelegd of bij appellant op zijn 17e verjaardag, [in] 1982, sprake was van stoornissen op het niveau van lichamelijk en/of geestelijk functioneren; welke beperkingen appellant in 1982 en in 2010 had; en of de deskundige kan instemmen met de vastgestelde belastbaarheid van appellant in 1982 en in 2010, zoals blijkt uit de FML van 17 november 2011.


2.5.

Van Eck heeft een anamnese afgenomen, informatie uit het dossier bestudeerd en zijn bevindingen neergelegd in een rapport van 6 augustus 2012. Daarin is geconcludeerd dat appellant een langdurige psychiatrische voorgeschiedenis heeft en dat sinds kort bij hem het syndroom van Asperger is vastgesteld. Met betrekking tot het persoonlijk functioneren ziet Van Eck handicaps met betrekking tot het verdelen van de aandacht en het zelfstandig handelen. Hij verwacht dat er specifieke voorwaarden zijn voor het goed functioneren in een arbeidssituatie. Appellant is onder meer aangewezen op werk in een voorspelbare werksituatie zonder veel storingen of onderbrekingen. Met betrekking tot het sociaal functioneren ziet Van Eck handicaps op het gebied van het hanteren van emoties van anderen, het uiten van eigen gevoelens, het omgaan met conflicten en samenwerken. Hij verwacht dat appellant moeite zal hebben met het uitoefenen van leidinggevende functies.


2.6.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 15 augustus 2012 op het rapport van

Van Eck gereageerd. Hij heeft erop gewezen dat wat betreft het verdelen van de aandacht in de FML beperkingen zijn opgenomen. Ten aanzien van het zelfstandig handelen heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat uit de anamnestische en biografische gegevens zoals opgenomen in het rapport van de deskundige niet blijkt dat op enig moment sprake is geweest van een beperking als bedoeld in beoordelingspunt 1.4. Ten aanzien van de urenbeperking heeft de verzekeringsarts nader onderbouwd dat op grond van de criteria in de Standaard verminderde arbeidsduur voor een urenbeperking geen aanleiding is.


2.7.

Deskundige Van Eck heeft in een reactie van 14 mei 2013 te kennen gegeven dat hij de opmerkingen met betrekking tot de FML onderschrijft, dat hij zich volledig kan vinden in de opmerking van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en dat er geen reden is voor een urenbeperking.


2.8.

Appellant heeft de juistheid van de conclusies van Van Eck betwist en herhaald dat hij niet in staat is om 40 uur per week te werken.


2.9.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit I niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen bestreden besluit II ongegrond verklaard en het Uwv opgedragen om het betaalde griffierecht aan appellant te vergoeden. De rechtbank heeft overwogen dat als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde, deskundige kan volgen indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich in het geval van appellant voor. Het rapport van Van Eck geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Van Eck heeft kennis genomen van alle beschikbare medische informatie over appellant. De rechtbank ziet noch in het rapport van Ergatis noch in hetgeen appellant heeft aangevoerd een voldoende betwisting van het rapport van Van Eck, inclusief de aanvullende reactie van 14 mei 2013. De rechtbank heeft dan ook geen aanleiding gezien het rapport van deskundige Van Eck niet te volgen. De deskundige heeft de FML van

17 november 2011 onderschreven. Met deze FML als uitgangspunt heeft de rechtbank geen grond gezien om te twijfelen aan de geschiktheid van de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geselecteerde functies. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het Uwv terecht heeft aangenomen dat appellant minder dan 25% arbeidsongeschikt is en geen recht heeft op een Wajong-uitkering.


3.1.

In hoger beroep heeft appellant gesteld dat het syndroom van Asperger een aangeboren afwijking is en dat deze afwijking ook bestond op zijn 17e jaar. Daarnaast heeft hij gesteld dat zijn Theory of Mind niet goed functioneert. Appellant heeft erop gewezen dat bij een

WIA-aanvraag in 2011 een urenbeperking van 20 uur per week is aangenomen. Appellant acht zich niet in staat om 75% van het minimumloon te verdienen. Hij heeft verzocht om een onderzoek door een andere deskundige.


3.2.

In een rapport van 11 augustus 2014 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep nogmaals geconcludeerd dat er geen aanleiding is om een urenbeperking aan te nemen. De verzekeringsarts heeft opgemerkt dat deskundige Van Eck zich volledig heeft kunnen vinden in het niet stellen van een urenbeperking. Met de beperkingen in het sociaal functioneren is voldoende rekening gehouden door middel van het stellen van beperkingen ten aanzien van samenwerken, hanteren van emotionele problemen van anderen, gevoelens uiten, conflicthantering, klantencontacten en leidinggevende taken.


4. De Raad oordeelt als volgt.


4.1.

In geding is of de rechtbank terecht het beroep van appellant tegen bestreden besluit II, waarbij hem opnieuw een Wajong-uitkering werd geweigerd, ongegrond heeft verklaard.


4.2.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen met betrekking tot de medische en arbeidskundige onderbouwing van bestreden besluit II. De rechtbank heeft terecht het oordeel van de door haar ingeschakelde deskundige gevolgd. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het uitgebrachte deskundigenrapport blijk geeft van een zorgvuldig onderzoek en dat het inzichtelijk en consistent is. De beperkingen van appellant als gevolg van de stoornis Asperger zijn door deskundige Van Eck onderschreven in zijn rapport van 6 augustus 2012 en de aanvullende reactie van 14 mei 2013. Verder heeft de rechtbank terecht overwogen dat ook de arts van Ergatis heeft geconcludeerd dat bij hervatting in voldoende stress- en prikkelarm werk een urenbeperking niet meer geïndiceerd is. In hoger beroep heeft appellant geen medische informatie overgelegd waaruit blijkt dat hij meer beperkt is dan door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is aangenomen. De Raad ziet geen aanleiding nogmaals een deskundige te benoemen. Voor het in hoger beroep herhaalde standpunt van appellant dat een urenbeperking aangenomen dient te worden ontbreekt een onderbouwing. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 11 augustus 2014 toegelicht dat de in 2011 vastgestelde belastbaarheid van appellant in het kader van een WIA-aanvraag niet bepalend is voor de beoordeling van de Wajong-aanvraag. De Raad ziet geen aanknopingspunten om dit standpunt van het Uwv niet juist te achten.


4.3.

Uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde beperkingen, bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat de geselecteerde functies in medisch opzicht niet passend zijn voor appellant.


4.4.

Gelet op hetgeen in 4.2 en 4.3 is overwogen heeft het Uwv appellant terecht een

Wajong-uitkering geweigerd. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.


5. Er is geen grond voor een proceskostenveroordeling.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.



Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2015.




(getekend) M. Greebe




(getekend) D. van Wijk




nk