Centrale Raad van Beroep, 23-09-2015 / 14-5696 ZW


ECLI:NL:CRVB:2015:3536

Inhoudsindicatie
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat van een opname of behandeling voor zijn alcoholverslaving, dan wel uit zijn verslaving voortvloeiende gebreken, niet is gebleken. Hetzelfde geldt voor de psychische klachten van appellant. De Raad onderschrijft verder het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. In hoger beroep in essentie een herhaling van de gronden in beroep. Geen medische informatie overgelegd die tot een ander oordeel zou moeten leiden of aanleiding geeft een deskundige in te schakelen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-23
Publicatiedatum
2015-10-15
Zaaknummer
14-5696 ZW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/5696 ZW

Datum uitspraak: 23 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

27 augustus 2014, 14/3251 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. P.R.L.V.M. Kruik, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2015. Namens appellant is

mr. drs. Kruik verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.J. Grasmeijer.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant, laatstelijk werkzaam als grondwerker en kabellegger, heeft zich vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet op 13 september 2013 ziek gemeld met diverse lichamelijke en psychische klachten. Hij heeft op 13 november 2013 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts is na onderzoek tot de conclusie gekomen dat appellant zowel op de datum van de ziekmelding als de datum van het spreekuur geschikt moet worden geacht voor zijn werk als grondwerker en kabellegger. Bij besluit van

13 november 2013 heeft het Uwv dienovereenkomstig beslist dat appellant per 13 september 2013 subsidiair per 13 november 2013 geen recht heeft op ziekengeld.


1.2.

Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 13 november 2013 is, na een heroverweging door een verzekeringsarts bezwaar en beroep, bij besluit van 6 maart 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat geen aanleiding bestaat het medisch onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep onzorgvuldig, dan wel de uitkomst daarvan onjuist te achten. Bij het onderzoek beschikte de verzekeringsarts bezwaar en beroep over informatie van de internist van 21 februari 2014 en van de huisarts, verkregen na telefonisch overleg op 27 februari 2014. Er bestond dan ook geen noodzaak voor het opvragen van aanvullende informatie. Over de alcoholverslaving heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht heeft gewezen op een al meer dan tien jaar bestaande problematiek, waarmee appellant altijd in staat is geweest om te werken. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad, van 8 april 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM0518, heeft de rechtbank ten slotte overwogen dat een alcoholverslaving op zichzelf niet als een ziekte of gebrek is aan te merken; de daaruit voortvloeiende beperkingen daarentegen wel. Daarvan is hier volgens de rechtbank niet gebleken.


3. In hoger beroep heeft appellant zijn gronden in bezwaar en beroep in essentie herhaald die er op neerkomen dat hij vanwege zijn rugklachten, psychische klachten en klachten als gevolg van de diabetes en de alcoholverslaving, zijn laatst verrichte werk niet kan verrichten. Daarbij is zijn alcoholverslaving ten onrechte niet als een ziekte aangemerkt.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken recht op ziekengeld.


4.2.

De Raad wijst er allereerst op dat - zo in het onderhavige geval al sprake is van een verslaving - een verslaving aan verdovende middelen op zich niet als een ziekte of gebrek wordt aangemerkt. Indien echter uit die verslaving gebreken voortvloeien, dan wel indien die verslaving noodzaakt tot een klinische opname of behandeling, brengt dit mee dat wel sprake is van een ziekte of gebrek (zie onder meer overweging 2 van de genoemde uitspraak van

8 april 2010). Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat van een opname of behandeling voor zijn alcoholverslaving, dan wel uit zijn verslaving voortvloeiende gebreken, niet is gebleken. Hetzelfde geldt overigens voor de psychische klachten van appellant.


4.3.

Voorts onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de gronden in hoger beroep in essentie een herhaling vormen van de gronden in beroep, waarbij de grond dat appellant ten tijde in geding niet geschikt zou zijn voor zijn laatst verrichte werk (meewerkend voorman) vanwege zijn klachten, niet met nadere medische gegevens is onderbouwd. Niet is gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de klachten van appellant heeft onderschat. Hij was op de hoogte van de klachten als gevolg van de Diabetes Mellitus type 2, de psychische klachten en de alcoholproblematiek. Het eigen onderzoek en de informatie uit de behandelend sector kunnen de door appellant ervaren klachten, volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep echter niet bevestigen. Het onderzoek aan de rug liet eveneens geen afwijkingen zien. Door appellant is geen medische informatie overgelegd die tot een ander oordeel zou moeten leiden. De Raad ziet dan ook geen aanleiding om het verzoek van appellant om alsnog een deskundige in te schakelen te honoreren.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat de rechtbank terecht heeft geconcludeerd dat het Uwv op goede gronden heeft beslist dat appellant op 13 september 2013 dan wel op 13 november 2013 geen recht heeft op ziekengeld. Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en E.W. Akkerman en F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2015.



(getekend) J.J.T. van den Corput




(getekend) K. de Jong




HD