Centrale Raad van Beroep, 30-09-2015 / 14-2824 AWBZ


ECLI:NL:CRVB:2015:3538

Inhoudsindicatie
Eigen bijdrage juist vastgesteld. De regeling voor de heffing van eigen bijdragen is imperatief en limitatief en biedt geen mogelijkheden de eigen bijdrage te matigen. Van een zeer bijzondere situatie is geen sprake.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-30
Publicatiedatum
2015-10-15
Zaaknummer
14-2824 AWBZ
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/2824 AWBZ

Datum uitspraak: 30 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

24 april 2014, 13/1193 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

CAK



PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft [naam X] hoger beroep ingesteld.


CAK heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2015. Appellant en [naam X] zijn verschenen. CAK heeft zich laten vertegenwoordigen door S.E. van Staalduine-Pronk.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant verblijft in een instelling als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ).


1.2.

Aan appellant is een uitkering op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten Wet (Wajong) toegekend. Op 7 januari 2011 ontving appellant de nabetaling van zijn Wajong-uitkering over de periode 7 september 2010 tot en met

30 november 2010. Dit betrof een bedrag van € 1.408,96. Op 10 januari 2011 ontving appellant een nabetaling van zijn Wajong-uitkering over de periode 1 december 2010 tot en met 31 december 2010. Dit betrof een bedrag van € 498,29. Het belastbare loon - inclusief de betalingen van de Wajong-uitkering over de periode 7 september 2010 tot en met

31 december 2010 - bedroeg voor het jaar 2011 € 8.697,-.


1.3.

CAK heeft bij besluit van 19 december 2012 de eigen bijdrage die op grond van het Bijdragebesluit zorg (Bbz) verschuldigd is wegens het verblijf van appellant in een

AWBZ-instelling voor het jaar 2011 vastgesteld op € 229,58 per kalendermaand.


1.4.

Bij afzonderlijk besluit van 19 december 2012 heeft CAK de eigen bijdrage voor het jaar 2012 vastgesteld op € 237,- per kalendermaand.


1.5.

Bij besluit van 10 januari 2013 (bestreden besluit) heeft CAK de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 19 december 2012 ongegrond verklaard.


1.6.

Bij besluit van 14 februari 2014 heeft CAK de eigen bijdrage voor het jaar 2012 op grond van het Bbz voor appellant gewijzigd in € 201,61 per kalendermaand.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat CAK voor de vaststelling van de eigen bijdrage voor het jaar 2011 terecht is uitgegaan van het inkomen dat appellant in 2011 volgens de gegevens van de Belastingdienst heeft genoten, nu appellant in het jaar 2011 voor het eerst inkomen genoot en derhalve artikel 8, eerste lid, van het Bbz van toepassing is. Het Bbz biedt geen ruimte om de in 2011 over 2010 (na)betaalde Wajong-uitkering van het door de Belastingdienst vastgestelde belastbaar loon of verzamelinkomen af te trekken.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij stelt zich op het standpunt dat bij de vaststelling van de eigen bijdrage voor zorg met verblijf voor het jaar 2011 het belastbaar loon over het jaar 2011 moet worden verminderd met de nabetaling van de Wajong-uitkering over september tot en met december 2010. Volgens appellant heeft CAK ten onrechte artikel 8 van het Bbz niet toegepast. Er is sprake van een bijzonder geval dat meebrengt dat toepassing van het wettelijk voorschrift geen rechtsplicht meer kan zijn. Doordat zijn Wajong-uitkering pas in 2011 is uitbetaald, heeft appellant geld moeten lenen om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. Dit geld is direct na uitbetaling van de Wajong-uitkering weer terugbetaald. Het bestreden besluit heeft onevenredige gevolgen voor appellant.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Tussen partijen is in geschil de vraag of CAK terecht de eigen bijdrage voor zorg met verblijf voor het jaar 2011 heeft vastgesteld op € 229,58 per maand.


4.2.

Ingevolge artikel 6 van het Bbz wordt de eigen bijdrage vastgesteld op grond van het bijdrageplichtig inkomen op basis van het inkomen over het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het jaar waarin de verzekerde zijn aanspraak op zorg tot gelding brengt. Artikel 8 van het Bbz is een uitzondering op artikel 6 van het Bbz voor het geval dat de verzekerde voor het eerst inkomen gaat genieten. In dat geval wordt voor de berekening van over het desbetreffende kalender jaar het bijdrageplichtig inkomen niet uitgegaan van het inkomen over het peiljaar, maar van het inkomen dat de verzekerde naar verwachting zal genieten.


4.3.

Anders dan appellant betoogt, heeft CAK de eigen bijdrage over 2011 berekend met toepassing van artikel 8, eerste lid, van het Bbz. Dit is gedaan, omdat appellant in 2011 voor het eerst inkomen heeft genoten. CAK is hierbij in overeenstemming met artikel 1 onder f, van het Bbz en artikel 21, aanhef en onder e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, uitgegaan van het door de Belastingdienst vastgestelde belastbaar loon. Nu de nabetaling van de Wajong-uitkering, waarop appellant in 2010 recht had, tot het belastbare loon in 2011 behoort, is 2011 het eerste jaar, waarin appellant inkomen heeft genoten.


4.4.

De regeling voor de heffing van eigen bijdragen is imperatief en limitatief en biedt geen mogelijkheden de eigen bijdrage te matigen. De wetgever heeft mede in verband met de uitvoerbaarheid voor deze wijze van vaststelling van de eigen bijdrage gekozen.


4.5.

Het door appellant ingenomen standpunt dat zijn situatie zodanig bijzonder is dat in afwijking van de in overweging 4.2 en 4.3 genoemde bepalingen de eigen bijdrage moet worden vastgesteld op een wijze als bedoeld in overweging 3 treft geen doel. Van een zeer bijzondere situatie die daartoe noopt, is geen sprake. Niet gebleken is dat strikte toepassing van de dwingendrechtelijke regelgeving zozeer in strijd is met algemene rechtsbeginselen dat op die grond toepassing van die regelgeving geen rechtsplicht kan opleveren.


4.6.

Hieruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.


5. Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en M.F. Wagner en L.M. Tobé als leden, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2015.




(getekend) A.J. Schaap




(getekend) B. Fotchind




AP