Centrale Raad van Beroep, 14-10-2015 / 13/4512 WAO


ECLI:NL:CRVB:2015:3542

Inhoudsindicatie
Wettelijke rente in verband met te laat betaalde WAO-uitkering is te laag vastgesteld. De Raad voorziet zelf en stelt het bedrag aan verschuldigde wettelijke rente vast. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade vanwege intimidatie en discriminatie tijdens de gevalsbehandeling wordt afgewezen. Het verzoek van appellant om (immateriële) schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM in de fase van het hoger beroep wordt toegewezen. De rechtbank heeft schadevergoeding in verband met het overschrijden van de redelijke termijn juist vastgesteld en de redelijke termijn berekend vanaf het begin van de onderhavige procedure en niet vanaf het eerste primaire besluit van het Uwv in 2002.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-14
Publicatiedatum
2015-10-15
Zaaknummer
13/4512 WAO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/4512 WAO, 14/4246 BESLU

Datum uitspraak: 14 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op

de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Limburg van 19 juli 2013, 11/78, en van 9 juli 2014, 11/78

en

het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 30 september 2009, 08/5520

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

in het geding 14/4246 BESLU tevens de Staat der Nederlanden, de minister van Veiligheid en Justitie (Staat)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft tegen de aangevallen uitspraken hoger beroep ingesteld, een verzoek om herziening van de Raad van 30 september 2009, 08/5520 WAO, ingediend en nadere stukken overgelegd.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend en nadere reacties ingebracht.

In het geding 14/4246 BESLU heeft de Staat zich gerefereerd aan het oordeel van de Raad.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 september 2015. Appellant en de Staat zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. R. Spanjer.

OVERWEGINGEN


De hoger beroepen


1. De Raad gaat voor zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 16 april 2003, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 juli 2003, heeft het Uwv over de periode van 1 oktober 2000 tot 1 november 2002 de fictieve mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met toepassing van artikel 44 van die wet in verband met inkomsten van appellant uit arbeid gesteld op minder dan 15%. Bij besluit van 11 maart 2004 heeft het Uwv het besluit van 22 juli 2003 niet langer gehandhaafd, het bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 april 2003 gegrond verklaard en de fictieve mate van arbeidsongeschiktheid van appellant over genoemde periode vastgesteld op 15 tot 25%. Bij uitspraak van 12 september 2006, 04/3784 WAO e.v., ECLI:NL:CRVB:2006:157, heeft de Raad - onder meer - geoordeeld dat gelet op het besluit van 11 maart 2004 het Uwv nalatig is gebleven de met ingang van 1 oktober 2000 aan appellant toekomende uitkering tijdig aan hem te betalen en dat het Uwv over de na te betalen uitkering wettelijke rente verschuldigd is.


1.2.

Ter uitvoering van de uitspraak van de Raad van 12 september 2006 heeft het Uwv bij besluit van 24 juni 2010 een beslissing genomen over de vergoeding van de wettelijke rente. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Naar zijn mening wordt met de toegekende vergoeding in onvoldoende mate uitvoering gegeven aan de uitspraak van de Raad van 12 september 2006.


1.3.

Bij besluit van 14 december 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Aan dit besluit wordt het volgende ontleend:

“Uw WAO-uitkering is in eerste instantie (tijdig) uitbetaald aan uw (toenmalige) werkgever [werkgever] . Na beoordeling van inkomsten uit arbeid is besloten om de uitkering met terugwerkende kracht op nihil te stellen (beslissing d.d. 16 april 2003), waardoor er over deze periode een terugvordering is ontstaan van bruto € 8.002,06. Na een gewonnen bezwaarzaak in maart 2004 is bepaald dat uw uitkering over de bewuste periode wel tot uitbetaling dient te komen. Hierdoor is er een nabetaling ontstaan van bruto € 8.749,62. Deze nabetaling is 1 april 2004 vastgesteld en uitbetaald aan uw (toenmalige) werkgever. Onder deze omstandigheden bestaat over het verschil tussen nabetaling en het teruggevorderde bedrag recht op vergoeding van de wettelijke rente, derhalve over € 8.749,62 - € 8.002,06 = € 747,56. Over de periode

1 oktober 2000 tot 1 april 2004 (datum effectuering nabetaling) bedraagt de wettelijke rente

€ 129,89. Over de periode 1 april 2004 tot 1 juli 2010 (uitbetaling wettelijke rente) heeft u recht op € 43,36 aan vergoeding rente over rente. In totaal heeft u met betrekking tot de in april 2004 nabetaalde uitkering derhalve recht op: € 129,89 + € 43,36 = € 173,25. Naar het oordeel van het Uwv is middels de bestreden beslissing op juiste gronden een vergoeding aan wettelijke rente toegekend ter grootte van € 173,25.”


1.4.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Appellant heeft erop gewezen dat zijn voormalige werkgever [werkgever] destijds is overgegaan tot inhouding van het terugvorderingsbedrag. Dit bedrag van € 8.002,06 is door het Uwv bij de nabetaling op 1 april 2004 aan [werkgever] terugbetaald. Appellant meent ook recht te hebben op vergoeding van wettelijke rente over dit bedrag. Voorts heeft appellant aangevoerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de Mens (EVRM) in de beroepsfase is geschonden.


2.1.

Bij de aangevallen uitspraak van 19 juli 2013 (uitspraak 1) heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Appellant heeft zijn betoog, dat zijn werkgever [werkgever] de gelden op zijn salaris zou hebben ingehouden, niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat nu van invordering van het terugvorderingsbedrag niet is gebleken, het Uwv deze gelden niet bij de berekening van de wettelijke rente in aanmerking heeft hoeven nemen.


2.2.

Ten aanzien van het beroep op artikel 6 van het EVRM wegens overschrijding van de redelijke termijn in de beroepsfase heeft de rechtbank overwogen dat de redelijke termijn met de ontvangst van het beroepschrift op 14 januari 2011 is aangevangen. Tot de uitspraak van de rechtbank heeft de behandeling van het beroep ongeveer tweeëneenhalf jaar geduurd. Hieraan heeft de rechtbank het vermoeden ontleend dat de redelijke termijn in de rechterlijke fase is overschreden. De rechtbank heeft bepaald dat het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de gevraagde schadevergoeding in verband met de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn. Tevens is de Staat aangemerkt als partij in die procedure.


3. Bij nadere uitspraak van 9 juli 2014 (uitspraak 2) heeft de rechtbank het verzoek om (immateriële) schadevergoeding in verband met het overschrijden van de redelijke termijn toegewezen, ten laste van de Staat en ten bedrage van € 1.000,-.


4.1.

Appellant is in hoger beroep gekomen tegen uitspraak 1 voor zover de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond heeft verklaard. Appellant heeft allereerst het standpunt ingenomen dat niet de rechtbank maar de Raad bevoegd is om een uitspraak te doen op zijn beroep tegen het bestreden besluit, omdat het bestreden besluit genomen is ter uitvoering van de uitspraak van de Raad van 12 september 2006. Appellant heeft tegen het oordeel van de rechtbank in uitspraak 1 aangevoerd dat het Uwv destijds zijn voormalige werkgever [werkgever] heeft voorgesteld het terugvorderingsbedrag te verrekenen met de lopende uitkering, daaronder begrepen de vakantiebijslag, die het Uwv via de werkgever aan hem verstrekt. [werkgever] heeft vervolgens deze gelden ter verrekening ingehouden op zijn salaris. Het bedrag van € 8.002,06 is door het Uwv bij de nabetaling op 1 april 2004 aan [werkgever] terugbetaald. Appellant heeft herhaald dat hij recht heeft op vergoeding van wettelijke rente over dit bedrag. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft hij enige stukken overgelegd. Voorts meent appellant dat er aanleiding is voor voldoening van een immateriële schadevergoeding vanwege de behandeling door het Uwv. Verder heeft hij verzocht om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn in de fase van het hoger beroep. Appellant heeft ten slotte verzocht alle door hem gemaakte kosten te vergoeden.


4.2.

Appellant heeft in hoger beroep tegen uitspraak 2 aangevoerd - kort samengevat - dat de redelijke termijn berekend moet worden vanaf het eerste primaire besluit van het Uwv van

11 november 2002.


5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


in het geding 13/4512 WAO (hoger beroep tegen uitspraak 1)


5.1.

De grond dat niet de rechtbank maar de Raad bevoegd is om een uitspraak te doen op het beroep van appellant tegen het bestreden besluit, faalt. Op grond van het ten tijde hier in geding van toepassing zijnde artikel 24 van de Beroepswet is bij uitspraak van de Raad van

12 september 2006, het beroep van appellant alsnog gegrond verklaard, het bij de rechtbank voorliggende besluit alsnog vernietigd en is het Uwv opgedragen om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak in hoger beroep. Dit nieuwe besluit is op grond van artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vatbaar voor beroep bij de rechtbank. Gelet hierop heeft de rechtbank zich terecht bevoegd geacht te beslissen op het beroep van appellant tegen het bestreden besluit.


5.2.1.

Met betrekking tot de wettelijke rente stelt de Raad vast dat appellant het bij het besluit van 24 juni 2010 toegekende bedrag van € 173,25 aan wettelijke rente in verband met nabetaling van de WAO-uitkering over de periode van 1 september 2002 tot en met

31 oktober 2002 niet betwist. Appellant voert aan dat het Uwv ook wettelijke rente verschuldigd is over het bedrag van € 8.002,06 aan WAO-uitkering over de periode van

1 oktober 2000 tot 1 september 2002. Zijn WAO-uitkering wordt via machtiging betaald aan zijn voormalige werkgever [werkgever] . Naar aanleiding van het besluit van 31 juli 2003 waarbij het Uwv de WAO-uitkering over de genoemde periode van 1 oktober 2000 tot 1 september 2002 van appellant heeft teruggevorderd, is [werkgever] in augustus 2003 overgegaan tot inhouding van het terugvorderingsbedrag door verrekening met zijn salaris. Na de gewonnen bezwaarzaak in maart 2004 heeft het Uwv de aan appellant toekomende WAO-uitkering over de periode van 1 oktober 2000 tot 1 september 2002 van in totaal € 8.002,06 aan [werkgever] uitbetaald. Appellant meent recht te hebben op wettelijke rente over dat bedrag vanaf augustus 2003 tot de nabetaling op 1 april 2004, vermeerderd met de jaarlijkse rente over de niet betaalde wettelijke rente, omdat hij in genoemde periode niet meer over zijn geld kon beschikken.


5.2.2.

Bij brief van 20 augustus 2015 met bijlage heeft het Uwv meegedeeld tegemoet te komen aan appellant. Met betrekking tot het bedrag aan WAO-uitkering over de periode van

1 oktober 2000 tot 1 september 2002 van in totaal € 8.002,06, dat teruggevorderd werd bij besluit van 31 juli 2003, is wettelijke rente verschuldigd over de periode vanaf 24 augustus 2003, toen appellant niet meer over zijn gelden kon beschikken, tot het moment dat het Uwv deze weer aan [werkgever] betaalbaar heeft gesteld, 1 april 2004. Omdat de wettelijke rente niet direct betaald is, is hierover ook weer wettelijke rente verschuldigd. Bij een betaling op

2 september 2015, de datum van de zitting van de Raad, zou het dan gaan om een bedrag van in totaal € 228,86 + € 127,00 = € 355,86. In de bijlage bij de brief van 20 augustus 2015 heeft het Uwv de renteberekening gespecificeerd. Voor een hoger bedrag aan wettelijke rente ziet het Uwv geen aanleiding. Ter zitting van de Raad heeft het Uwv de Raad verzocht het bedrag van € 355,86 met inachtneming van de datum van deze uitspraak naar boven af te ronden. Van het ten gevolge van de inhoudingen door [werkgever] eerst in juli 2004 aan appellant betaalde vakantiegeld van € 646,65 heeft het Uwv ter zitting meegedeeld het aannemelijk te achten dat daarover eveneens wettelijke rente verschuldigd is. Omdat het Uwv daarover geen berekening heeft gemaakt is de Raad verzocht dit bedrag, afgerond naar boven, vast te stellen.


5.2.3.

De Raad volgt het Uwv in zijn standpunt dat voor een hoger bedrag aan wettelijke rente met betrekking tot de nabetaling van de WAO-uitkering over de periode van 1 oktober 2000 tot 1 september 2002 dan de berekende € 355,86 geen aanleiding is. De Raad onderschrijft de in de brief van 20 augustus 2015 neergelegde uitgangspunten die het Uwv aan zijn berekening ten grondslag heeft gelegd. De bij brief van 20 augustus 2015 gegeven specificatie is inzichtelijk. Appellant heeft in hoger beroep geen gegevens overgelegd die aanleiding zijn voor het oordeel dat de berekening van het Uwv onjuist is. In verband met de datum van deze uitspraak stelt de Raad het bedrag aan verschuldigde wettelijke rente over deze periode vast op € 360,-. Met betrekking tot de vast te stellen rente over het bedrag van € 646,65 aan vakantiegeld hanteert de Raad een gemiddelde wettelijke rente van 6% in de aan de orde zijnde periode in 2003/2004, uitmondend in een - afgerond - bedrag van € 40,-, te vermeerderen met - eveneens afgerond - € 25,- wegens jaarlijkse rente tot de datum van deze uitspraak, in totaal dus € 65,-. Het totale bedrag aan wettelijke rente over de destijds na te betalen uitkering dat het Uwv ter uitvoering van de uitspraak van de Raad van 12 september 2006 aan appellant verschuldigd is, wordt met dit bedrag verhoogd tot (€ 173,25 + € 360,- +

€ 65,- =) € 598,25.


5.2.4.

Uit 5.2.1, 5.2.2 en 5.2.3 volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover daarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, betekent dit dat het beroep gegrond moet worden verklaard en dat het bestreden besluit moet worden vernietigd. De Raad ziet, gelet op de voorhanden gegevens en de langdurige rechtstrijd tussen partijen, aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat het bedrag aan verschuldigde wettelijke rente over de te laat betaalde uitkering over de periode van 1 oktober 2000 tot 1 november 2002 en over het te laat betaalde vakantiegeld wordt vastgesteld op € 598,25.


5.3.

Voor de onderbouwing van zijn verzoek om immateriële schadevergoeding vanwege de gevalsbehandeling door het Uwv, heeft appellant erop gewezen dat hij zich de gehele procedure door het Uwv intimiderend en discriminerend behandeld heeft gevoeld. Het Uwv heeft de langdurige gevalsbehandeling en het gebrek aan duidelijkheid gedurende langere tijd betreurd, maar verzet zich gelet op de in de rechtspraak daaraan gestelde eisen tegen de aanspraak. Geoordeeld wordt dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij voldoet aan de voor toewijzing van een dergelijke schadevergoeding geldende voorwaarde, dat hij zodanig onder de besluiten heeft geleden dat sprake was van geestelijk leed dat kan worden beschouwd als een aantasting van de persoon in de zin van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek. Volgens vaste rechtspraak (zie ook de meergenoemde uitspraak van de Raad van

12 september 2006) is daarvoor onvoldoende dat - zoals in dit geval uit de gedingstukken naar voren komt - sprake is van meer of minder sterk psychisch onbehagen en van een zich gekwetst voelen door het onrechtmatige besluit. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade vanwege de gevalsbehandeling moet dan ook worden afgewezen.


5.4.1.

Het verzoek van appellant om (immateriële) schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM in de fase van het hoger beroep wordt toegewezen.


5.4.2.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009), is de redelijke termijn voor de behandeling van het hoger beroep in beginsel niet overschreden als de behandeling ten hoogste twee jaar heeft geduurd. Verder heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast is van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden.


5.4.3.

In het geval van appellant staat vast dat vanaf de datum van ontvangst van het hogerberoepschrift door de Raad op 15 augustus 2013 tot de datum van deze uitspraak twee jaar en twee maanden zijn verstreken. Er zijn geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de lengte van de procedure in hoger beroep meer dan twee jaar zou mogen bedragen. Dit betekent dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn met twee maanden die voor rekening van de Staat komt. De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding aan appellant van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep tot een bedrag van € 500,-.


5.5.

Er bestaat aanleiding voor een veroordeling van het Uwv in de proceskosten, bestaande uit € 27,70 voor reiskosten voor het bijwonen van de zitting bij de rechtbank. Aan de Raad is niet gebleken van overige kosten, die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken in de zin van artikel 8:75 van de Awb.


in het geding 14/4246 BESLU (hoger beroep tegen uitspraak 2)


5.6.1.

De rechtbank heeft bij uitspraak 2 het verzoek van appellant om (immateriële) schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn in de beroepsfase toegewezen tot een bedrag van € 1.000,-. Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank bij haar berekening van de termijnoverschrijding ten onrechte ervan is uitgegaan dat de procedure bij de rechtbank is aangevangen met het instellen van het beroep tegen het bestreden besluit op 14 januari 2011. In dat verband heeft appellant gewezen op de onder 1.1 vermelde procedure, die geëindigd is met de uitspraak van de Raad van 12 september 2006.


5.6.2.

De Raad deelt niet het standpunt van appellant dat bij de beoordeling van zijn bij de rechtbank gedane verzoek om immateriële schadevergoeding de procedure onder 1.1 in aanmerking moet worden genomen. De onder 1.1 genoemde procedure ziet op ten onrechte niet betaalde WAO-uitkering, de onderhavige procedure op de vaststelling van de wettelijke rente in verband met de te laat betaalde WAO-uitkering. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 29 oktober 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK3342) is in zo’n geval sprake van twee te onderscheiden procedures en dient per procedure afzonderlijk te worden beoordeeld of sprake is van schending van de redelijke termijn.


5.6.3.

Het hoger beroep van appellant slaagt niet. Uitspraak 2 komt voor bevestiging in aanmerking.


5.7.

Voor een proceskostenveroordeling in dit geding is geen aanleiding.


Het verzoek om herziening


6. Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Stb. 2012, 682) in werking getreden. Met deze wet zijn wijzigingen in onder meer de Awb en de Beroepswet aangebracht. Op grond van het overgangsrecht blijft op deze zaak het recht van toepassing, zoals dat gold vóór 1 januari 2013.


7.1.

De Raad heeft in zijn meergenoemde uitspraak van 12 september 2006, voor zover hier van belang, besluiten van het Uwv van 11 maart 2004 en 21 juli 2004 vernietigd en het Uwv opgedragen nieuwe besluiten te nemen. Bij besluit van 16 februari 2007 heeft het Uwv daaraan de volgende uitvoering gegeven. Het Uwv heeft het bezwaar van appellant tegen een besluit van 16 april 2003 gegrond verklaard. Alsnog is aanvaard dat een deel van de reiskostenvergoeding die appellant van zijn werkgever [werkgever] heeft ontvangen (voor de periode tussen 1 oktober 2000 en 1 november 2002) niet valt onder zijn inkomsten in de zin van artikel 44 van de WAO. Daarbij is vermeld dat dit geen invloed heeft op de zogenoemde fictieve mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, die voor deze periode was vastgesteld. Het Uwv heeft voorts bij het besluit van 16 februari 2007 het bezwaar van appellant tegen een besluit van 30 maart 2004 gegrond verklaard. Alsnog is besloten dat de WAO-uitkering van appellant, die per 22 augustus 1994 (einde wachttijd) was berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%, met ingang van deze datum wordt berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55% en de fictieve mate van arbeidsongeschiktheid vanaf 1 juni 1997 35 tot 45% bedraagt.


7.2.

Het door appellant tegen het besluit van 26 februari 2007 ingestelde beroep is door de rechtbank Maastricht bij uitspraak van 20 augustus 2008, 07/606, ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 30 september 2009, 08/5520 WAO, waarvan nu herziening wordt gevraagd, heeft de Raad deze uitspraak van de rechtbank Maastricht bevestigd.


8. Aan zijn verzoek om herziening heeft verzoeker (appellant) ten grondslag gelegd dat anders dan de Raad heeft overwogen in de uitspraak van 30 september 2009 het niet gaat om het in mindering brengen van de werkgeversbijdrage in VUT en pensioenpremies van de arbeidsinkomsten, maar om de werknemersbijdragen in de verwervingskosten, VUT- en pensioenpremies en deze in mindering te doen brengen op de arbeidsinkomsten. Verzoeker meent daarom dat de berekening van zijn arbeidsongeschiktheidsklasse en de vaststelling van de fictieve mate van arbeidsongeschiktheid niet juist is.


9. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


9.1.

Op grond van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren ze bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.


9.2.1.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld de uitspraak van 20 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1055) moet in het belang van de rechtseenheid voorop worden gesteld dat van degene die om herziening vraagt van een uitspraak mag worden verlangd dat hij niet onredelijk lang wacht met de indiening van dat verzoek. Een onredelijk laat ingediend herzieningsverzoek moet niet-ontvankelijk worden verklaard.


9.2.2.

Een verzoek om herziening wordt in de regel geacht onredelijk laat te zijn ingediend, indien het verzoek is ingediend meer dan één jaar nadat de indiener bekend is geworden met de daarin gestelde nova dan wel, indien geen nova zijn gesteld, na de datum van openbaarmaking van de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht.


9.2.3.

De hiervoor in 9.2.2 geformuleerde regel geldt niet voor het indienen van een verzoek om herziening van een uitspraak over een bestuurlijke boete. Een dergelijk verzoek is niet aan de in 9.2.2 vermelde termijn van één jaar gebonden.


9.3.

De Raad stelt vast dat in deze zaak, die geen betrekking heeft op een uitspraak over een bestuurlijke boete, appellant het herzieningsverzoek slechts heeft onderbouwd met een herhaling van zijn eerder, in het geding 08/5520 WAO, ingenomen standpunt en geen nova heeft aangevoerd als bedoeld onder 9.1. Nu geen nova zijn aangevoerd en appellant zijn verzoek meer dan een jaar na de bekendwording van de uitspraak van 30 september 2009 heeft ingediend, moet worden geoordeeld dat het verzoek om herziening onredelijk laat is ingediend.


9.4.

Uit wat onder 9.1 tot en met 9.3 is overwogen, volgt dat het voorliggende herzieningsverzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard.


10. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.






















BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


Met betrekking tot uitspraak 1

  • - vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
  • - verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 14 december 2010;
  • - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 14 december 2010 en stelt het bedrag aan wettelijke rente vast op € 598,25;
  • - veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 500,-;
  • - veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 27,70;
  • - bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 159,- vergoedt.

Met betrekking tot uitspraak 2

- bevestigt de aangevallen uitspraak.


Met betrekking tot het verzoek om herziening

- verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.



Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van

C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2015.




(getekend) J.S. van der Kolk




(getekend) C.M.A.V. van Kleef



UM