Centrale Raad van Beroep, 11-02-2015 / 14-2527 AWBZ


ECLI:NL:CRVB:2015:355

Inhoudsindicatie
De rechtbank heeft het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn. . Uit de medische verklaring blijkt niet dat de medische situatie van appellant dusdanig was dat hij niet in staat was om een, desnoods summier, bezwaarschrift in te dienen of om een derde te vragen om dat namens hem te doen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-11
Publicatiedatum
2015-02-12
Zaaknummer
14-2527 AWBZ
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/2527 AWBZ

Datum uitspraak: 11 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 3 april 2014, 13/4145 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

VGZ Zorgkantoor B.V. (Zorgkantoor)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2014. Appellant is verschenen. Het Zorgkantoor heeft zich, zoals vooraf bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1.

Het Zorgkantoor heeft bij besluit van 18 december 2012 op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten aan appellant voor 2013 een netto persoonsgebonden budget ten bedrage van € 65.784,46 toegekend. Appellant heeft op

3 februari 2013 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.


1.2.

Bij besluit van 21 juni 2013 (bestreden besluit) heeft het Zorgkantoor vastgesteld dat appellant niet binnen de termijn van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht bezwaar heeft gemaakt, de termijnoverschrijding verschoonbaar geacht en het bezwaar tegen het besluit van 18 december 2012 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het bezwaar tegen het besluit van 18 december 2012 niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat niet is gebleken dat appellant gedurende de gehele bezwaartermijn niet in staat is geweest om (desnoods summier) bezwaar te maken of aan iemand anders te vragen om namens hem bezwaar te maken, zodat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. De rechtbank heeft de door appellant in beroep overgelegde medische verklaring van C.A.C.A. Koenen, specialist ouderengeneeskunde GeriCare, van 21 maart 2014, in zijn oordeel betrokken.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft onder verwijzing naar de verklaring van Koenen aangevoerd dat het Zorgkantoor op de hoogte was van zijn medische situatie en dat het Zorgkantoor daarom de overschrijding van de bezwaartermijn destijds heeft geaccepteerd. Appellant was gedurende de bezwaartermijn bedlegerig en is voor zijn verzorging geheel afhankelijk van anderen, zodat hij buiten staat was om tijdig een gemotiveerd bezwaarschrift in te dienen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor het wettelijk kader verwijst naar de aangevallen uitspraak.


4.1.

Vaststaat dat appellant het bezwaarschrift tegen het besluit van 18 december 2012 na afloop van de bezwaartermijn, die is geeïndigd op 29 januari 2013, heeft ingediend. In geschil is enkel of de termijnoverschrijding verschoonbaar is.


4.2.

In wat appellant heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Uit de medische verklaring van Koenen blijkt niet dat de medische situatie van appellant dusdanig was dat hij niet in staat was om een, desnoods summier, bezwaarschrift in te dienen of om een derde te vragen om dat namens hem te doen. Hierbij acht de Raad van belang dat appellant ter zitting van de Raad heeft verklaard dat hij in de laatste week van de bezwaartermijn zijn zus heeft gevraagd om hem te helpen. Dat appellant niet wist dat hij kon volstaan het indienen van een pro forma bezwaarschrift, waardoor hij op een later moment zijn gronden van bezwaar had kunnen aanvullen, is een omstandigheid die voor zijn rekening en risico komt. De omstandigheid dat het Zorgkantoor de overschrijding van de bezwaartermijn wel verschoonbaar heeft geacht, kan niet tot een ander oordeel leiden. De rechtbank heeft het bezwaar tegen het besluit van 18 december 2012 daarom terecht alsnog niet-ontvankelijk verklaard.


4.3.

Uit 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door M.F. Wagner als voorzitter en G. van Zeben-de Vries en

D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2015.




(getekend) M.F. Wagner




(getekend) W. de Braal





nk