Centrale Raad van Beroep, 14-10-2015 / 14/1000 WW


ECLI:NL:CRVB:2015:3554

Inhoudsindicatie
Weigering WW-uitkering. Niet verzekerd voor de WW. Er is sprake geweest van een gezamenlijke huishouding van appellant en [aandeelhouder 1], die samen 51% van de aandelen van de vennootschap bezitten. Appellant is aan te merken als directeur-grootaandeelhouder in de zin van artikel 2, eerste lid, onder a, van de Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder, zodat zijn arbeidsverhouding op grond van artikel 6, eerste lid, onder d, van de WW niet als dienstbetrekking wordt aangemerkt.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-14
Publicatiedatum
2015-10-15
Zaaknummer
14/1000 WW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • USZ 2015/351
Uitspraak

14/1000 WW

Datum uitspraak: 14 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 januari 2014, 13/1468 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. van Viersen hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een nader stuk ingestuurd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juli 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. Van Viersen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M.J. Eijmael.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant is op 13 oktober 2004 algemeen directeur geworden bij [BV] Deze vennootschap heeft sinds 13 oktober 2004 drie aandeelhouders, te weten appellant die 49% van de aandelen houdt, [naam aandeelhouder 1] die 2% van de aandelen houdt en [naam aandeelhouder 2] die 49% van de aandelen houdt. [naam aandeelhouder 1] heeft vanaf begin 1993 op hetzelfde adres als appellant gewoond. Met ingang van 18 februari 2014 is [naam aandeelhouder 1] op een ander adres ingeschreven. Op 31 mei 2012 is appellant meegedeeld dat zijn dienstverband met werkgeefster wordt beëindigd. In zijn aanvraag om een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) heeft hij 16 juli 2012 als eerste werkloosheidsdag vermeld.


1.2.

Bij besluit van 23 juli 2012 heeft het Uwv appellant de gevraagde WW-uitkering ontzegd op de grond dat appellant als directeur-grootaandeelhouder (DGA) niet als werknemer beschouwd. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.3.

Bij beslissing op bezwaar van 11 januari 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het besluit van 23 juli 2012 gehandhaafd. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat appellant een gezamenlijke huishouding voert met [naam aandeelhouder 1] . Zijn arbeidsverhouding wordt op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d, van de WW en artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder (Regeling) niet beschouwd als dienstbetrekking, zodat appellant volgens het Uwv niet verzekerd is voor de WW.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank is niet alleen aan het criterium van het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning, maar ook aan het criterium van financiële verstrengeling en wederzijdse verzorging voldaan. Nu appellant samen met [naam aandeelhouder 1] 51% van de aandelen van de vennootschap bezit en met haar een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd, betekent dit volgens de rechtbank dat appellant is aan te merken als directeur-grootaandeelhouder en dat zijn arbeidsovereenkomst met de B.V. voor de WW niet als dienstbetrekking wordt aangemerkt.


3.1.

Appellant heeft in hoger beroep zijn beroepsgrond herhaald dat er geen sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding met [naam aandeelhouder 1] . Volgens appellant was er sprake van een zakelijke huurder – verhuurderrelatie. Dit blijkt uit de inschrijving van [naam aandeelhouder 1] als woningzoekende in 2006 en ook uit het aandeelhouderschap van [naam aandeelhouder 1] . Voorts heeft appellant betwist dat hij ter zitting van de rechtbank heeft verklaard dat hij en [naam aandeelhouder 1] geregeld gezamenlijk aten en boodschappen deden voor elkaar en dat [naam aandeelhouder 1] hem hielp met zijn administratie. Volgens appellant zijn de verklaringen ter zitting bij de rechtbank uit hun verband gerukt en onjuist geïnterpreteerd als gevolg van zijn gehoorproblemen.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Op grond van artikel 3, eerste lid, van de WW, zoals dat gold ten tijde van belang, is werknemer de natuurlijke persoon, jonger dan 65 jaar, die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat.


4.2.

In artikel 6, aanhef en eerste lid, onder d, van de WW is bepaald dat als dienstbetrekking niet wordt beschouwd de arbeidsverhouding van een persoon die directeur-grootaandeelhouder is. In de Regeling zijn op grond van artikel 6, vierde lid, van de WW regels gegeven over wat wordt verstaan onder directeur-grootaandeelhouder, bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d, van de WW. Op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling is dat de bestuurder die, al dan niet tezamen met zijn echtgenoot, houder is van aandelen die ten minste de helft van de stemmen in de algemene vergadering van de vennootschap vertegenwoordigen.


4.3.

Onder echtgenoot wordt op grond van artikel 1, aanhef en onder d, van de Regeling verstaan de persoon die met de bestuurder gehuwd is of die daarmee een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. Voor het in de WW en in de Regeling niet afzonderlijk gedefinieerde begrip gezamenlijke huishouding wordt aansluiting gezocht bij de definitie van dat begrip in andere sociale zekerheidswetten, zoals bijvoorbeeld in artikel 1, vierde lid, van de Toeslagenwet. Daarin is bepaald dat sprake is van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.


4.4.

Niet in geschil is dat appellant en [naam aandeelhouder 1] ten tijde hier van belang hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden, zodat aan het eerste criterium van een gezamenlijke huishouding is voldaan.


4.5.

Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.


4.6.

Het oordeel van de rechtbank dat ook van wederzijdse zorg sprake is geweest, wordt onderschreven. De op de zitting van de rechtbank van 26 november 2013 afgelegde verklaring van appellant dat hij [naam aandeelhouder 1] geld gaf voor boodschappen en dat [naam aandeelhouder 1] naast de twee kamers de wasmachine, eten, koffie etc. mocht gebruiken, is in lijn met de bij brief van 10 juli 2013 namens appellant aan het Uwv gegeven informatie. In die brief wordt onder andere beschreven dat appellant de kosten voor de huishouding droeg, dat [naam aandeelhouder 1] ’s morgens gebruik maakte van hetgeen in de keuken was om te ontbijten, dat zij ’s avonds van tijd tot tijd meeat en maandelijks contant kostgeld betaalde. Ter zitting van de rechtbank heeft appellant verder verklaard dat [naam aandeelhouder 1] hem soms hielp omdat hij niet kon lezen en schrijven, dat er geen afspraken op papier of overschrijvingen zijn en dat er een bedrag in een potje werd gestopt waarvan de huishouding werd betaald.


4.7.

Volgens het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank heeft appellant daar in aanwezigheid van zijn gemachtigde een uitgebreide en samenhangende verklaring afgelegd. Aan de stelling van appellant dat niet van de door de rechtbank vastgestelde feiten mag worden uitgegaan omdat hij wegens gehoorproblemen de vragen van de rechtbank niet goed zou hebben verstaan, wordt voorbij gegaan omdat dit op grond van dat proces-verbaal en wat overigens in dit geding is gebleken niet geloofwaardig wordt geacht.


4.8.

De stelling van appellant dat tussen hem en [naam aandeelhouder 1] louter een zakelijke relatie heeft bestaan, onder meer omdat [naam aandeelhouder 1] aandeelhouder is geworden van de vennootschap, wordt evenmin gevolgd. Appellant heeft in hoger beroep het standpunt ingenomen dat sprake is geweest van een huurder-verhuurderrelatie terwijl eerder, in de al genoemde brief van

10 juli 2013, was gesteld dat de huur tot kostgangerschap was geworden. Aan de in de rechtspraak gestelde eisen voor het aannemen van een zakelijke relatie met een huurder en verhuurder of kostganger (zie onder meer de uitspraken van 15 december 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK8351, en van 7 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1437) wordt in dit geval niet voldaan. De gestelde contante betalingen van [naam aandeelhouder 1] aan appellant per maand worden daarom gekwalificeerd als een bijdrage van haar in de kosten van de huishouding. Dat geen sprake is geweest van louter een zakelijke relatie blijkt ten slotte ook het feit dat [naam aandeelhouder 1] geen vergoeding heeft betaald voor haar aandelen in de vennootschap.


4.9.

Uit 4.2 tot en met 4.8 volgt dat er sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding van appellant en [naam aandeelhouder 1] en dat appellant is aan te merken als directeur-grootaandeelhouder in de zin van artikel 2, eerste lid, onder a, van de Regeling, zodat zijn arbeidsverhouding op grond van artikel 6, eerste lid, onder d, van de WW niet als dienstbetrekking wordt aangemerkt. Dit betekent dat appellant terecht niet in aanmerking is gebracht voor een WW-uitkering op de grond dat hij niet verzekerd was.


4.10.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.











BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en

F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2015.




(getekend) G.A.J. van den Hurk




(getekend) V. van Rij



Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over de begrippen werknemer en gezamenlijke huishouding.



UM