Centrale Raad van Beroep, 06-10-2015 / 14/1076 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:3558

Inhoudsindicatie
Einduitspraak na tussenuitspraak. Schadevergoeding na gegrond bezwaar. Wettelijke rente. Geen immateriële schadevergoeding.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-06
Publicatiedatum
2015-10-19
Zaaknummer
14/1076 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/1076 WWB, 15/1994 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland van 27 januari 2014, 13/4312 en 13/4924 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.P. van Vulpen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Beide partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2014. Appellant, daartoe opgeroepen, is verschenen, bijgestaan door mr. Van Vulpen. Het college, daartoe eveneens opgeroepen, heeft zich laten vertegenwoordigen door R.C.F. de Vos.

Na de tussenuitspraak van 7 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3351 heeft het college op

3 november 2014 een nieuwe beschikking op bezwaar genomen (nader besluit).

Appellant heeft op 2 december 2014 en 14 januari 2015 zienswijzen gegeven over het nader besluit en een verzoek om schadevergoeding gedaan.

Op 22 januari 2015 heeft het college zijn standpunt over een verzoek van appellant om schadevergoeding aan de Raad gezonden.

Op 25 februari 2015 heeft appellant een reactie gegeven op dat standpunt van het college.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is afgezien van een nader onderzoek ter zitting.

De Raad heeft voorts besloten de zaak te verwijzen naar de enkelvoudige kamer.

Vervolgens heeft de Raad het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN


1. De Raad verwijst naar de tussenuitspraak voor een uiteenzetting van de feiten waarvan hij uitgaat bij zijn oordeelsvorming. Hij volstaat hier met het volgende.


1.1.

De Raad heeft in zijn tussenuitspraak geoordeeld dat het college ten onrechte appellant met ingang van 15 april 2013 bijstand heeft geweigerd op de grond dat appellant uit `s Rijks kas bezoldigd onderwijs kon volgen en dit niet deed. De weigering van bijstand met ingang van die datum berust dus op onjuiste feitelijke grondslag. De beslissing op bezwaar van 21 september 2013 (bestreden besluit) ontbeert dus een toereikende motivering. Bij uitspraak heeft de Raad het college opgedragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.


1.2.

Bij het nader besluit heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 26 juni 2013, waarbij de aanvraag om bijstand werd afgewezen, gegrond verklaard en dat besluit herroepen. Het college heeft appellant daarbij bijstand toegekend over de periode van 15 april 2013 tot 26 juni 2013.


2.1.

Appellant kan zich niet met het nader besluit verenigen voor zover het college aan hem geen rente en schadevergoeding heeft betaald. Appellant heeft zich met een verzoek daartoe tot het college gewend en tot de Raad gewend. Appellant heeft gesteld dat door de te late betaling van bijstand hij uit zijn huis is gezet en geen werk kon zoeken of een bedrijf kon opzetten. Voorts zijn sociale contacten verbroken. Door een en ander zijn ook emotionele problemen ontstaan.


2.2.

Het college is van oordeel dat voor zover sprake is van vermogensschade slechts de wettelijke rente verschuldigd is over de na te betalen bijstand. De immateriële schade is onvoldoende onderbouwd.


3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


3.1.

Op grond van wat in de tussenuitspraak is overwogen slaagt het hoger beroep en komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb.


3.2.

De Raad zal het nader besluit, gelet op het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, mede in de beoordeling betrekken, nu daarmee niet geheel tegemoetgekomen is aan appellant.


3.3.

Gelet op het hier toepasselijke artikel 8:73, eerste lid (oud), van de Awb kan het verzoek om schadevergoeding in de onderhavige procedure worden beoordeeld.


3.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat het college gehouden is de wettelijke rente over de na te betalen bijstand te vergoeden. In geschil is of het college ook nog andere schadeposten dient te vergoeden.


3.5.

Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 4 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3594) dat voor de vaststelling van schade als bedoeld in artikel 8:73, eerste lid (oud), van de Awb zoveel mogelijk aansluiting moet worden gezocht bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Artikel 6:119, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, bestaat in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar in verzuim is geweest. Ook de gevolgen van een onrechtmatige tijdelijke weigering van uitkering zijn in beginsel terug te voeren op de vertraagde uitbetaling van die uitkering, althans voor zover het gaat om kosten die zijn gemaakt als gevolg van het tijdelijk gemis aan geld door die weigering. Geen reden bestaat om over de gestelde schadeposten in dit geval een ander oordeel te geven. Een en ander brengt mee dat er in dit geval geen plaats is voor zelfstandige vergoeding van de door appellant gestelde schadeposten. In zoverre wordt het verzoek afgewezen.


3.6.

Bij het beantwoorden van de vraag of er voldoende aanleiding bestaat om immateriële schadevergoeding toe te kennen, moet naar vaste rechtspraak van de Raad ook zoveel mogelijk aansluiting worden gezocht bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht (uitspraak van 14 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3348). Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft een benadeelde overeenkomstig artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is aangetast of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De wetgever heeft daarbij het oog gehad op ernstige inbreuken op de persoonlijke levenssfeer alsook op andere persoonlijkheidsrechten van de betrokkene (uitspraak van 5 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL0342). In het licht hiervan is voor vergoeding van immateriële schade onvoldoende dat sprake is van min of meer sterk psychisch onbehagen en van zich gekwetst voelen door het onrechtmatig genomen besluit (uitspraak van 27 augustus 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BF1067). Met de enkele verwijzing naar emotionele problemen heeft, zoals het college terecht heeft aangevoerd, appellant niet aannemelijk gemaakt dat van schade in deze zin sprake is geweest.


3.7.

Hieruit volgt dat op het verzoek om schadevergoeding slechts de wettelijke rente toewijsbaar is over de na te betalen bijstand over de periode van 15 april 2013 tot 26 juni 2013. Deze zal in het dictum worden toegewezen. De wettelijke rente moet worden berekend overeenkomstig de uitspraak van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.


4. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 980,- in beroep en op € 1.225,- in hoger beroep (2,5 punt maal

€ 490,-: een punt voor het hoger beroepschrift, een punt voor de zitting en een half punt voor de het indienen van de zienswijze) voor verleende rechtsbijstand.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 21 september 2013 gegrond en vernietigt dat

besluit;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 3 november 2014 gegrond, voor zover daarbij

geen wettelijke rente is toegekend over de na te betalen bijstand;

- wijst het verzoek om vergoeding van schade toe en bepaalt dat het college aan appellant

verschuldigd is te betalen de wettelijke rente over de over de periode van 15 april 2013 tot

26 juni 2013, te berekenen als onder 3.7 is overwogen, en wijst het meer en anders

gevorderde af;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.205,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 166,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van

R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

6 oktober 2015.




(getekend) O.L.H.W.I. Korte




(getekend) R.B.E. van Nimwegen




HD