Centrale Raad van Beroep, 28-01-2015 / 13-1133 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:356

Inhoudsindicatie
Betrokkene ontving een loongerelateerde WGA-uitkering. Het verzoek om een IVA-uitkering wordt afgewezen. De rechtbank raadpleegt een deskundige (psychiater), vervolgens het Uwv in hoger beroep ook. De Raad benoemt een verzekeringsarts. Naar aanleiding van haar rapport wordt een nieuwe FML opgesteld en vastgesteld dat betrokkene 80-100% arbeidsongeschikt is per datum in geding. De arbeidsongeschiktheid wordt niet duurzaam geacht op basis van alle aanwezige medische gegevens.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-01-28
Publicatiedatum
2015-02-17
Zaaknummer
13-1133 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/1133 WIA, 14/5962 WIA

Datum uitspraak: 28 januari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van

21 januari 2013, 11/150 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

[Naam echtgenoot] e/v [betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. M.R. Meulenberg-ten Hoor, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft bij brief van 2 mei 2013 gereageerd op het verweerschrift.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2013. Appellant heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. P.C.P. Veldman. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door

mr. Meulenberg-ten Hoor.

De Raad heeft vervolgens het onderzoek heropend en als deskundige de verzekeringsgeneeskundige J.A.F. Leunisse-Walboomers benoemd.

De deskundige heeft op 4 juni 2014 aan de Raad rapport uitgebracht.

Beide partijen hebben op dat rapport gereageerd.

Appellant en betrokkene hebben nog een nadere reactie ingediend. Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 10 oktober 2014. Appellant is vertegenwoordigd door mr. P.C.P. Veldman. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Meulenberg-ten Hoor.

Zoals ter zitting is besproken, heeft appellant nadien nog een besluit, gedateerd 24 oktober 2014, ingezonden. Partijen hebben ter zitting van 10 oktober 2014 toestemming gegeven voor afdoening buiten zitting.

OVERWEGINGEN


1.1.

Met ingang van 13 april 2009 heeft appellant aan betrokkene een loongerelateerde

WGA-uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. Daarbij is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 52,50%.


1.2.

Bij besluit van 2 september 2010 heeft appellant geweigerd om betrokkene in aanmerking te brengen voor een uitkering als bedoeld in art 47 in samenhang met artikel 4 van de Wet WIA, een zogenaamde IVA-uitkering (Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten).


1.3.

Bij besluit van 16 december 2010 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 2 september 2010 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen. De rechtbank heeft haar oordeel met name gebaseerd op een, op verzoek van de rechtbank, door de psychiater H.H.J. Fennema op 15 mei 2012 uitgebracht deskundigenrapport. Fennema concludeerde in zijn rapport dat in de door appellant opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 15 juli 2010 de beperkingen van betrokkene, in ieder geval in de periode van juni tot december 2010, zijn onderschat.


3. In het hoger beroep heeft appellant met name aangevoerd dat de rechtbank haar oordeel niet heeft mogen baseren op het rapport van Fennema. Appellant is van oordeel dat dat rapport niet voldoet aan de eisen die aan een dergelijk rapport gesteld mogen worden. Ter ondersteuning van dat standpunt heeft appellant een op zijn verzoek door de psychiater prof. dr. G.F. Koerselman opgesteld rapport van 21 februari 2013 overgelegd, waarin geconcludeerd wordt dat het rapport van Fennema van slechte kwaliteit is en niet voldoet aan de relevante professionele standaarden.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Op verzoek van de Raad heeft de verzekeringsarts J.A.F. Leunisse-Walboomers op

4 juni 2014 een deskundigenrapport uitgebracht. Zij concludeert dat de FML van 15 juni 2010 op enkele punten aanscherping behoeft. Onder meer acht zij een urenbeperking tot 20 uur per week noodzakelijk en acht zij een voorspelbare werksituatie van belang.


4.2.

Naar aanleiding van het rapport van Leunisse-Walboomers heeft appellant onderzoek gedaan. Er is een nieuwe FML opgesteld en bij het besluit van 24 oktober 2014 heeft appellant betrokkene alsnog per 2 september 2010 voor 80-100% arbeidsongeschikt geacht. Dit besluit zal op grond van artikel 6:19 in verbinding met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in zijn beoordeling worden betrokken.


4.3.

In geschil is nog of de door appellant per 2 september 2010 aangenomen volledige arbeidsongeschiktheid duurzaam van aard is.


4.4.

Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.


4.5.

Ten tijde hier van belang was van een dergelijke situatie geen sprake. De Raad kent daarbij doorslaggevende betekenis toe aan het rapport van Leunisse-Walboomers, die nog wel degelijk re-integratiemogelijkheden voor betrokkene ziet. Ook Fennema heeft in zijn nadere brief van 28 augustus 2012 geschreven dat het beter gaat met betrokkene en dat de prognose op termijn veel beter zou kunnen zijn. Het door betrokkene zelf in het geding ingebrachte rapport van de psychiaters W.W. Groen en C.C. Kan van 13 april 2010 kan hieraan niet afdoen. Overigens is ook volgens dat rapport kans op enige verbetering.


4.6.

Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.5 is overwogen, heeft de rechtbank het beroep terecht gegrond verklaard, maar is de gegeven opdracht om een nieuw besluit te nemen niet meer aan de orde, zodat de aangevallen uitspraak in zoverre zal worden vernietigd. Het beroep tegen het besluit van 24 oktober 2014 zal ongegrond worden verklaard.


5. Van appellant wordt op grond van artikel 8:109, tweede lid, van de Awb griffierecht geheven.


6. Er is aanleiding appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze worden begroot op € 1.948, - voor verleende rechtsbijstand en € 40,06 voor reiskosten.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij aan appellant is opgedragen een nieuw besluit te nemen;
  • - bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
  • - verklaart het beroep tegen het besluit van 24 oktober 2014 ongegrond;
  • - bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 478, - wordt geheven;
  • - veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.988,06.


Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange als voorzitter en R.E. Bakker en

E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van I. Mehagnoul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2015.




(getekend) C.C.W. Lange




(getekend) I. Mehagnoul




QH