Centrale Raad van Beroep, 06-10-2015 / 14/205 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:3560

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering bijstand. Verzwegen bankrekening. Appellante kon beschikken over saldo. Recht op bijstand is niet vast te stellen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-06
Publicatiedatum
2015-10-19
Zaaknummer
14/205 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/205 WWB

Datum uitspraak: 6 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

11 december 2013, 13/5323 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Delft (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.M.G. Hulsman hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft op 11 juni 2015 nadere stukken ingebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Hulsman. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.S. van Tricht.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante ontving in de periode van 11 augustus 2011 tot en met 31 december 2011 een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren en sinds 1 januari 2012 een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder (samen aangeduid als bijstand).


1.2.

Naar aanleiding van anonieme meldingen op 8 juni 2012 en 13 juni 2012, dat appellante in Engeland toeslagen ontvangt op een Engelse bankrekening en betaald wordt voor het ter beschikking stellen van haar fiscaal nummer, heeft het college een onderzoek laten instellen naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In het kader van het onderzoek heeft de sociale recherche van de gemeente Delft onder meer aan het Internationaal Bureau Fraude-informatie (IBF) verzocht een rechtmatigheidsonderzoek te doen in Engeland, dossieronderzoek verricht, informatie bij de Belastingdienst opgevraagd, observaties verricht, op 20 september 2012 een huisbezoek gebracht aan de woning op de [uitkeringsadres] te [woonplaats] (uitkeringsadres) en appellante op 1 oktober 2012 gehoord. Verder heeft de sociale recherche informatie opgevraagd bij appellante en bij de woningbouwvereniging. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een Rapportage Bijzonder Onderzoek van

4 december 2012.


1.3.

De onderzoeksresultaten waren voor het college aanleiding om bij besluit van

12 december 2012 de bijstand van appellante over de periode van 11 augustus 2011 tot en met 31 augustus 2012 in te trekken en de kosten van bijstand over de periode van 11 augustus 2011 tot en met 31 december 2011 tot een bedrag van € 5.767,03 bruto en over de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 augustus 2012 tot een bedrag van € 9.958,24 netto van appellante terug te vorderen.


1.4.

Bij besluit van 13 juni 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 12 december 2012 ongegrond verklaard. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de ontvangst vanaf 7 september 2009 van Child Benefit en vanaf 22 augustus 2009 van Working Tax Credit uit Engeland. Deze uitkeringen worden gestort op een voor het college onbekende Engelse bankrekening bij de Barclays bank. Verder heeft appellante geen melding gemaakt van werkzaamheden die in Engeland zijn verricht in de belastingjaren 2010/2011 en 2011/2012. Ze heeft geen melding gemaakt van een ABN AMRO Groeigemak Spaarrekening (rekeningnummer [rekeningnummer]) en een Rabobankrekening die op haar naam staan. Ten slotte heeft het college aan de intrekking en terugvordering ten grondslag gelegd dat appellante vanaf 2 juli 2012 niet haar hoofdverblijf had op het uitkeringsadres.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De te beoordelen periode loopt van 11 augustus 2011 tot en met 31 augustus 2012.


4.2.

Ter zitting van de Raad heeft het college naar aanleiding van de op 11 juni 2015 door appellante overgelegde stukken niet langer aan de intrekking en terugvordering ten grondslag gelegd dat appellante werkzaamheden heeft verricht in Engeland. Ook het niet melden van de bankrekening bij de Rabobank ligt daar niet langer aan ten grondslag. Het college handhaaft het standpunt dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de bankrekeningen bij de Barclays bank en bij de ABN AMRO bank en de in elk geval op de Barclays rekening ontvangen middelen, waaronder Child Benefit. Daarnaast handhaaft het college het standpunt dat appellante vanaf 2 juli 2012 niet haar hoofdverblijf had op het door haar opgegeven adres.


4.3.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 23 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA0086) rechtvaardigt het gegeven dat een bankrekening op naam van een betrokkene staat de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. Volgens eveneens vaste rechtspraak (uitspraak van 27 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT6097) moet, mede gelet op artikel 11 van de WWB, de term ‘beschikken’ zo worden uitgelegd dat deze ziet op de mogelijkheid van een betrokkene de bezitting feitelijk aan te wenden om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.


4.4.

Vast staat dat appellante bij haar aanvraag om bijstand geen melding heeft gemaakt van de bankrekeningen bij de ABN AMRO bank en de Barclays bank die op haar naam stonden. Appellante heeft aangevoerd dat de ABN AMRO rekening niet relevant was, omdat daar geen tegoed op stond. Dat blijkt volgens haar ook uit de informatie die van de Belastingdienst afkomstig is. Uit deze informatie, de Selectie Rekeningen, blijkt echter niet wat het saldoverloop is geweest op deze rekening. Het college heeft deze bankrekening dan ook terecht relevant geacht voor de beoordeling van het recht op bijstand en appellante terecht verzocht om bankafschriften. Door hiervan bij haar aanvraag geen melding te maken heeft appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden.


4.5.

Ten aanzien van de bankrekening bij Barclays heeft appellante aangevoerd dat zij niet op de hoogte was van de aanvragen van toeslagen in Engeland door een ander in haar naam met gebruik van haar identiteitsgegevens en dat zij nooit een pas of afschriften van die rekening heeft gehad. Zij heeft niet de beschikking gehad over deze bankrekening, zodat zij deze rekening niet had hoeven melden bij haar aanvraag om bijstand. Haar ex‑partner heeft haar in Engeland mishandeld en opgesloten in haar woning. Hij heeft tegen de wil van appellante gebruikgemaakt van deze bankrekening door daarvan geld op te nemen in Engeland. Appellante is sinds de vlucht voor haar ex-partner niet meer in Engeland geweest en kan niet over de bankrekening beschikken. Zij kan niet beschikken over het daarop staande saldo.


4.6.

Appellante heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat zij niet over het op de rekening bij Barclays staande tegoed kon beschikken. Zij heeft deze rekening zelf in Engeland geopend, blijkens haar verklaring dat zij met haar ex-partner in Londen bij de bank is geweest en daar een formulier heeft ondertekend. Ook heeft zij verklaard dat zij per post een pasje met haar Engelse sofinummer (NINO) heeft ontvangen en dat zij drie maanden haar paspoort niet in haar bezit heeft gehad omdat haar ex-partner voor haar kinderbijslag aan ging vragen. Zij kon er dan ook rekening mee houden dat op de rekening bedragen zouden worden gestort. Het gestelde feit dat de ex-partner opnames verricht in Engeland maakt niet dat appellante niet over het tegoed op de rekening kan beschikken. Deze rekening staat immers op haar naam. Voor zover appellante in de periode dat zij in Engeland verbleef door haar ex-partner zou zijn verhinderd om gebruik van de rekening te maken, brengt dat nog niet mee dat appellante in de hier te beoordelen periode, toen zij immers weer in Nederland verbleef, daartoe niet in staat was. Voorts valt niet in te zien waarom appellante niet reeds bij haar aanvraag melding had kunnen maken van genoemde bankrekening. Indien zij daar op dat moment niet over had kunnen beschikken omdat zij de naam van de bank en het rekeningnummer niet wist, zoals zij heeft gesteld, had zij ook daar melding van kunnen en dus moeten maken. Deze beroepsgrond kan dan ook niet slagen.


4.7.

Het beroep van appellante op het ontbreken van verwijtbaarheid ten aanzien van het schenden van de inlichtingenverplichting treft geen doel. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 27 april 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM3133) kan van een schending van de inlichtingenverplichting sprake zijn, ook indien de betrokkene niet kan worden aangerekend dat hij de gegevens waarop de inlichtingenverplichting ziet, niet bij het bijstandverlenend orgaan heeft gemeld.


4.8.

Uit 4.4 tot en met 4.7 volgt dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de op haar naam staande bankrekeningen. Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. Appellante is daar niet in geslaagd.


4.9.

Appellante heeft weliswaar op 11 juni 2015 alsnog afschriften van de bankrekening bij Barclays overgelegd, maar daaruit blijkt niet dat appellante niet over het op die rekening staande tegoed kon beschikken. Daarnaast heeft zij nog steeds geen afschriften van de

ABN AMRO rekening overgelegd. Dat zij niet over deze afschriften kon beschikken omdat, naar zij stelt, zij daar de middelen niet voor heeft, dient gelet op de schending van de inlichtingenverplichting voor haar rekening te komen. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld als gevolg van schending van de inlichtingenverplichting.


4.10.

Omdat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld op grond van de schending van de inlichtingenverplichting ten aanzien van de op naam van appellante staande bankrekeningen, komt de Raad niet meer toe aan de beoordeling van de intrekking van bijstand op de grond dat appellante vanaf 2 juli 2012 niet verbleef op het door haar opgegeven adres.


4.11.

Uit 4.9 en 4.10 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en M. ter Brugge en

S.E. Zijlstra als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2015.



(getekend) O.L.H.W.I. Korte




(getekend) M.S. Boomhouwer




HD