Centrale Raad van Beroep, 13-10-2015 / 14/2683 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:3568

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering bijstand. Sociaal rechercheur had geen ondermandaat tot het nemen van het besluit. Herstel gebrek bij beslissing op bezwaar. Omvang geding.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-13
Publicatiedatum
2015-10-19
Zaaknummer
14/2683 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/2683 WWB

Datum uitspraak: 13 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 24 april 2014, 13/3042 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [Appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft J. Klaus hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 september 2015. Appellanten zijn niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. Jans-Rakers.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellanten ontvingen sinds 1 juni 1996 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).


1.2.

Op 30 augustus 2012 is bij een doorzoeking van de woonwagen van appellanten op het perceel [adres A], te [woonplaats], een contant geldbedrag van in totaal € 61.000,- aangetroffen. Naar aanleiding van het op grond daarvan ontstane vermoeden dat appellanten onjuiste inlichtingen/gegevens omtrent hun inkomsten en vermogenssituatie hadden verstrekt, heeft een sociaal rechercheur, werkzaam bij de Unit sociale recherche van de gemeente Sittard-Geleen, (sociaal rechercheur) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader heeft de sociaal rechercheur onder meer dossieronderzoek gedaan, diverse geautomatiseerde systemen, waaronder die van de Dienst Wegverkeer, geraadpleegd en appellanten verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 21 maart 2013.


1.3.

Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten heeft de sociaal rechercheur bij besluit van 21 maart 2013 namens het college de bijstand van appellanten met ingang van 30 augustus 2012 ingetrokken en de over de periode van 30 tot en met 31 augustus 2012 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 71,51 van appellanten teruggevorderd op de grond dat appellanten - zonder daarvan aan het college mededeling te hebben gedaan - tenminste vanaf 30 tot en met 31 augustus 2012 konden beschikken over andere middelen zoals inkomsten en/of vermogen. Voorts heeft de sociaal rechercheur namens het college de bijstand over de maand mei 2012 ingetrokken en de over die maand gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 1.192,81 van appellanten teruggevorderd op de grond dat appellant vanaf 30 mei 2012 een bij het college onbekend voertuig op zijn naam had staan en in zijn bezit had, waarvan appellant niet kon aantonen hoe dat voertuig gefinancierd was.


1.4.

Bij besluit van 1 oktober 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 21 maart 2013 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Appellanten hebben in de eerste plaats aangevoerd dat de sociaal rechercheur geen mandaat had om het besluit van 21 maart 2013 namens het college te nemen. Nu het college het bezwaar ongegrond heeft verklaard en daarmee te kennen geeft dat de sociaal rechercheur het hem verleende mandaat niet te buiten is gegaan, heeft het college, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, het ontbreken van een ontoereikend mandaat niet gerepareerd. Bovendien sloot het aan de sociaal rechercheur verleende mandaat nadrukkelijk de bevoegdheid tot terugvordering uit. Op grond van de navolgende overwegingen slaagt deze beroepsgrond niet.


4.1.1.

Niet in geschil is dat op grond van het op 1 januari 2008 in werking getreden

Mandaat-, volmacht- en machtigingsbesluit gemeente Sittard-Geleen 2007, bezien in samenhang met het op diezelfde datum in werking getreden Ondermandaatbesluit afdeling Werk en Inkomen en de daarbij behorende bijlage Ondermandaatlijst afdeling Werk en inkomen, de bevoegdheid tot het nemen van besluiten inzake de aanspraak op uitkering bij of krachtens de WWB en inzake het terugvorderen van uitkering die bij of krachtens de WWB was toegekend, was ondergemandateerd aan een sociaal rechercheur. Op 7 februari 2013 is het Ondermandaatbesluit aan de Teammanager Werk, Teammanager Zorg, Teammanager Inkomen en de Teammanager Ondersteuning in werking getreden en is het eerder vastgestelde ondermandaat van de afdeling Werk en Inkomen ingetrokken. Daarbij is blijkens de bij dat besluit horende Ondermandaatlijst Cluster Sociale Zaken de bevoegdheid tot het nemen van besluiten inzake de aanspraak op uitkering bij of krachtens de WWB en inzake het terugvorderen van uitkering die bij of krachtens de WWB was toegekend, ondergemandateerd aan de Teammanager Werk, Zorg, Inkomen, Ondersteuning. Op 4 april 2013 is het Ondermandaatbesluit functionarissen Sociale Zorg in werking getreden. Daarbij is blijkens de bij dat besluit behorende Ondermandaatlijst Cluster Sociale Zaken de bevoegdheid tot het nemen van besluiten inzake de aanspraak op uitkering bij of krachtens de WWB ondergemandateerd aan meerdere functionarissen, waaronder een sociaal rechercheur.


4.1.2.

Gelet op de in 4.1.1 vermelde besluiten, voeren appellanten terecht aan dat de sociaal rechercheur ten tijde van het nemen van het besluit van 21 maart 2013 geen mandaat had om een beslissing te nemen inzake de aanspraak op uitkering bij of krachtens de WWB en inzake het terugvorderen van uitkering die bij of krachtens de WWB was toegekend. Het betreffende ondermandaat was immers op 7 februari 2013 komen te vervallen. Anders dan het college ter zitting heeft gesteld, biedt het op 1 januari 2013 in werking getreden Mandaat-, volmacht- en machtigingsbesluit gemeente Sittard-Geleen 2013 daartoe niet alsnog een deugdelijke grondslag. Bij dat besluit heeft het college het Mandaat-, volmacht- en machtigingsbesluit gemeente Sittard-Geleen 2007 weliswaar ingetrokken met de bepaling dat alle op dat besluit gebaseerde ondermandaten hun werking houden tot 1 april 2013, maar die bepaling verloor haar gelding met het in werking treden van het Ondermandaatbesluit aan de Teammanager Werk, Teammanager Zorg, Teammanager Inkomen en de Teammanager Ondersteuning. Dat dit de bedoeling was, blijkt ook uit de toelichting op die bepaling waarin staat vermeld dat door middel van deze bepaling ondermandaten die gebaseerd zijn op het vorige Mandaat-, volmacht- en machtigingsbesluit gemeente Sittard-Geleen - tijdelijk tot 1 april 2013 - van kracht blijven, voor zover ze niet uitdrukkelijk eerder worden ingetrokken. Pas bij het op 4 april 2013 in werking getreden Ondermandaatbesluit functionarissen Sociale Zorg en de bij dat besluit behorende Ondermandaatlijst Cluster Sociale Zaken was aan een sociaal rechercheur weer een ondermandaat verleend voor de bevoegdheid tot het nemen van besluiten inzake de aanspraak op uitkering bij of krachtens de WWB. Hieruit volgt dat het besluit van 21 maart 2013 niet bevoegdelijk is genomen.


4.1.3.

Anders dan appellanten stellen, heeft de rechtbank echter terecht geoordeeld dat het in 4.1.2 geconstateerde gebrek bij het bestreden besluit is hersteld. Vaststaat immers dat het college het besluit van 21 maart 2013 in bezwaar heeft gehandhaafd en dat besluit daarmee voor zijn rekening heeft genomen. Nu appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij door voormeld bevoegdheidsgebrek zijn benadeeld, mocht de rechtbank dit gebrek passeren. Dat de rechtbank daarbij heeft nagelaten te vermelden dat dit met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht mogelijk was, doet aan de juistheid van dat oordeel niet af.


4.2.

Appellanten hebben in de tweede plaats aangevoerd dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak ten onrechte haar beoordeling heeft beperkt tot de intrekking en terugvordering van de bijstand over de maand mei 2012, en geen oordeel heeft gegeven over de handelingen over de periode van 30 tot en met 31 augustus 2012. Ook deze beroepsgrond slaagt niet, waartoe het volgende wordt overwogen.


4.2.1.

In hun beroepschrift hebben appellanten, onder verwijzing naar de pleitnota die zij ten overstaan van de commissie voor de bezwaarschriften hebben voorgedragen, aangevoerd dat het college in het bestreden besluit ten onrechte niet heeft gemotiveerd waarom de terugvordering van de bijstand over de maand mei 2012 volledig plaatsvindt, terwijl in augustus 2012 de bijstand slechts over twee dagen wordt teruggevorderd. Het in bedoelde pleitnota vervatte betoog komt er op neer dat appellanten het onbegrijpelijk vinden dat het college op basis van het op 30 augustus 2012 aangetroffen geldbedrag in augustus 2012 slechts over twee dagen de verstrekte bijstand terugvordert, terwijl het college op basis van de aankoop van een voertuig op 30 mei 2012 de over mei 2012 verstrekte bijstand volledig terugvordert. Weliswaar brengen appellanten in die pleitnota, alsook in de pleitnota voor de zitting bij de rechtbank, nog naar voren dat zij niet over het op 30 augustus 2012 aangetroffen geldbedrag konden beschikken omdat dat van hun zoon was, maar ter zitting van de rechtbank is de reikwijdte van het beroep van appellanten uitdrukkelijk aan de orde gesteld. Op de vraag van de rechtbank of het geschil, anders dan uit het beroepschrift blijkt, niet alleen gaat over de auto en de terugvordering, maar ook over het geld, heeft appellant geantwoord dat hij het er niet mee eens is dat over de maand mei 2012 de bijstand volledig wordt teruggevorderd, terwijl over de maand augustus 2012 de bijstand maar over twee dagen wordt teruggevorderd. Dit stemt geheel overeen met de grond die appellanten in het beroepschrift hebben aangevoerd en die alleen ziet op de maand mei 2012. Gelet hierop heeft de rechtbank zich bij de beoordeling van het geschil terecht beperkt tot dat onderdeel van het bestreden besluit.


4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en E.C.R. Schut en

J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar 13 oktober 2015.





(getekend) J.F. Bandringa




(getekend) R.G. van den Berg




HD