Centrale Raad van Beroep, 13-10-2015 / 14/4158 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:3571

Inhoudsindicatie
Herziening bijstand. Inkomsten. Geen zesmaandenjurisprudentie.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-13
Publicatiedatum
2015-10-19
Zaaknummer
14/4158 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/4158 WWB

Datum uitspraak: 13 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

12 juni 2014, 14/1293 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. T. Catak, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 24 maart 2015 heeft mr. K.T.F. Chocolaad, advocaat, zich als opvolgend gemachtigde van appellant gesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 september 2015. Namens appellant is verschenen mr. Chocolaad. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door P. Bos.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontving sinds 9 mei 2012 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Appellant woonde ten tijde van belang op het adres [uitkringsadres] te [woonplaats] (uitkeringsadres).


1.2.

Op 21 juni 2012 is [naam T] (T) bij appellant ingetrokken op het uitkeringsadres. Met ingang van 22 maart 2013 is T verhuisd naar een andere gemeente.


1.3.

Bij besluit van 16 mei 2013, zoals gecorrigeerd bij besluit van 24 mei 2013, heeft het college de bijstand van appellant over de periode van 21 juni 2012 tot en met 21 maart 2013 omgezet naar de norm voor gehuwden en als gevolg daarvan het recht op bijstand van appellant over evengenoemde periode herzien dan wel ingetrokken in verband met inkomsten van T. Tegen de herziening en intrekking heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.


1.4.

Bij afzonderlijk besluit van 16 mei 2013, zoals gecorrigeerd bij het in 1.3 genoemde besluit van 24 mei 2013, heeft het college de over de periode van 21 juni 2012 tot en met

21 maart 2013 teveel verstrekte bijstand tot een bedrag van € 5.162,45 van appellant teruggevorderd.


1.5.

Bij besluit van 14 januari 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen de in 1.4 genoemde besluiten gegrond verklaard voor zover de terugvordering is gebaseerd op artikel 58, eerste lid, van de WWB. Het college stelt zich thans op het standpunt dat aan de terugvordering ten grondslag moet worden gelegd artikel 58, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Appellant stelt zich op het standpunt dat het college ten onrechte gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om tot terugvordering over te gaan. In dit verband heeft appellant gewezen op het feit dat hij de op hem rustende inlichtingenverplichting niet heeft geschonden en dat het college traag heeft gehandeld door pas in mei 2013 tot herziening dan wel intrekking van de bijstand over te gaan.


4.2.

Deze beroepsgrond slaagt niet. In het bestreden besluit is de terugvordering gebaseerd op artikel 58, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB. Op grond van deze bepaling kan het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend gemaakte kosten van bijstand terugvorderen, voor zover de bijstand anders dan in het eerste lid ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. Het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting speelt bij de toepassing van deze bepaling geen rol.


4.3.

Voor zover appellant van mening is dat het college in de trage afdoening aanleiding had moeten zien om (gedeeltelijk) van de terugvordering af te zien, vat de Raad deze stelling op als een beroep op de zogeheten zesmaandenjurisprudentie.


4.4.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 24 augustus 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN5014) is de bevoegdheid van het bijstandverlenend orgaan om onverschuldigd betaalde bijstand terug te vorderen in tijd beperkt indien dit orgaan niet adequaat reageert op signalen waaruit het kan afleiden dat het te veel of ten onrechte uitkering

heeft verstrekt. Een signaal is in dit verband relevante informatie van de betrokkene waaruit het bijstandverlenend orgaan concreet kan afleiden dat sprake is van een fout op grond waarvan het actie dient te ondernemen. Na een dergelijk signaal heeft het bijstandverlenend orgaan nog zes maanden om tot deze actie over te gaan. Over de periode gelegen na die zes maanden kan het dan geen gebruik maken van de bevoegdheid tot terugvorderen zonder in strijd te komen met het zorgvuldigheidsbeginsel.


4.5.

Uit de voorhanden stukken blijkt dat het college in maart 2013 de stukken heeft ontvangen die zien op de verdiensten van T in de periode hier van belang. Het college is vervolgens in mei 2013 tot zijn besluitvorming gekomen, zoals vermeld in 1.3 en 1.4. Het beroep op de zesmaandenjurisprudentie slaagt daarom niet.


4.6.

Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt, zoals ook de rechtbank terecht heeft overwogen, dat niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan het college in redelijkheid niet van zijn bevoegdheid tot terugvordering gebruik heeft kunnen maken.


4.7.

Appellant heeft nog een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. Volgens appellant heeft zijn bijstandsconsulent hem op het verkeerde been gezet door de indruk te wekken dat alles in orde was. Deze beroepsgrond slaagt niet, reeds omdat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel in ieder geval is vereist dat van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. In het onderhavige geval is niet gebleken dat van de kant van het college toezeggingen zijn gedaan ter zake van het matigen dan wel afzien van het van appellant terug te vorderen bedrag.


4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2015.




(getekend) Y.J. Klik




(getekend) M.S. Boomhouwer




HD