Centrale Raad van Beroep, 16-10-2015 / 13/1075 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:3575

Inhoudsindicatie
Het besluit van het Uwv om vast te stellen dat voor appellant geen recht is ontstaan op een IVA-uitkering met ingang van 14 juni 2011 kan worden gedragen door de aanvullende motivering van de verzekeringsarts b&b in zijn rapport van 7 april 2015. Nu het bestreden besluit eerst in hoger beroep van een voldoende motivering is voorzien, zal de Raad dit besluit en de aangevallen uitspraak, waarbij dit besluit in stand is gelaten, vernietigen, met in stand lating van de rechtsgevolgen. Pkv en gr. recht.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-16
Publicatiedatum
2015-10-19
Zaaknummer
13/1075 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/1075 WIA

Datum uitspraak: 16 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

15 februari 2013, 11/1103 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen partijen op 23 februari 2015 een tussenuitspraak (ECLI:NL:CRVB:2015:530) gedaan.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv bij brief van 8 april 2015 een nadere onderbouwing van zijn besluit van 24 juli 2012 (bestreden besluit) gegeven en daartoe een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 7 april 2015 overgelegd.

Bij brief van 7 mei 2015 heeft appellant zijn zienswijze ingediend.

Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor een uiteenzetting van de feiten waarvan de Raad bij zijn oordeelsvorming uitgaat, verwijst hij naar zijn tussenuitspraak. Hieraan voegt hij het volgende toe.


1.2.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak is de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 7 april 2015 ingegaan op de vragen welke behandelingen mogelijk zijn voor appellant, of hij als gevolg van de loochening in staat is deze behandelingen te volgen en welk resultaat bereikt zou kunnen worden. Ten aanzien van de mogelijke behandelingen voor appellant heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep verwezen naar de “Multidisciplinaire richtlijn persoonlijkheidsstoornissen GGZ” (hierna: Richtlijn), waarin bij borderline persoonlijkheidsstoornissen de volgende behandelingen aanbevolen worden: verschillende vormen van psychotherapie, groepsvaardigheidstrainingen, farmacotherapie, vaktherapie en psychomotore therapie. De behandelingen kunnen ambulant dan wel in (dag-)klinische setting gegeven worden. Bij ernstige persoonlijkheidspathologie bestaat een voorkeur voor ambulante individuele psychotherapie, al dan niet in combinatie met een groepstherapeutische (vaardigheids)behandeling en medicatie (afhankelijk van de andere klachten), waarbij gewerkt wordt via een beslisboom en stappenplan. In het geval van appellant is de exacte aard en duur van de behandeling in het verleden onduidelijk. Hoewel appellant stelde niets aan deze behandeling te hebben gehad, lijkt het er wel op dat hij sindsdien (medio begin 2001) niet meer in contact is gekomen met Justitie, in tegenstelling tot de periode daarvoor. Ook heeft appellant ondanks zijn persoonlijkheidsproblematiek vaak langdurig gewerkt. Met betrekking tot de vraag of appellant als gevolg van de loochening in staat is een behandeling te volgen, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat de combinatie van de borderline persoonlijkheidsstoornis en loochening niet leidt tot een gestoorde realiteitstoetsing. Het bespreekbaar maken zal dus onderdeel van de behandeling moeten zijn. Bij ontkenning en externalisering zal de behandeling (in eerste instantie) het best klantgericht en taakgericht kunnen zijn. Volgens de Richtlijn vormt de persoonlijkheidsstoornis zelf meestal geen aanleiding om behandeling te zoeken, maar bijkomende klachten of een justitieel contact wel. Voorts zijn er volgens de Richtlijn geen contra-indicaties voor behandeling. Er zijn geen studies die laten zien dat bepaalde subpopulaties niet kunnen profiteren van behandeling. Ten aanzien van het te bereiken resultaat ten slotte heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat de aanbevolen behandelingen effect hebben op de belemmerende gevoelens, maar ook op de onderliggende persoonlijkheidspathologie. Als iemand hiervoor niet echt openstaat kan dit alsnog plaatsvinden onder klacht- of taakgerichte behandeling. Bij een persoonlijkheidsstoornis zal het doel van de behandeling er altijd op gericht zijn om iemand beter te laten functioneren in persoonlijke en sociale situaties. Dit zal volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep dus een verbetering betreffen van de beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren (rubrieken I en II van de Functionele Mogelijkhedenlijst).


1.3.

Volgens appellant is niet in geschil dat er behandelmogelijkheden zijn voor de aandoening in kwestie. De loochening maakt echter juist dat appellant feitelijke behandeling niet zal proberen te krijgen. Uit de Richtlijn volgt dat het zelfs lastig is voor een professionele hulpverlener om een dergelijke behandeling te geven. Gezien ook de bevindingen van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige psychiater dr. W.H.J. Mutsaers blijft appellant bij zijn standpunt dat van reële behandelmogelijkheden niet kan worden gesproken en dat daarom ook geen reële kans op herstel bestaat. Naar de mening van appellant voldoet de motivering van het bestreden besluit nog steeds niet aan de daaraan te stellen eisen.


2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


2.1.

Het besluit van het Uwv om vast te stellen dat voor appellant geen recht is ontstaan op een IVA-uitkering met ingang van 14 juni 2011 kan worden gedragen door de aanvullende motivering die de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 7 april 2015 heeft gegeven. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aan de hand van de Richtlijn op consistente wijze gemotiveerd waarom aanleiding bestaat voor het oordeel dat sprake was van een meer dan geringe kans op herstel in het eerste jaar na het ontstaan van het recht op uitkering. De omstandigheid dat ten tijde in geding (nog) geen sprake was van een behandeling van de psychische klachten van appellant en dat (nog) geen verbetering van de klachten was ingetreden, kan niet tot de conclusie leiden dat een meer dan geringe kans op herstel niet aanwezig is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft nu inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat op grond van de Richtlijn een passende behandeling voor appellant mogelijk is, waarbij in het geval van loochening en externalisering klachtgerichte en taakgerichte behandeling aan de orde is. In de Richtlijn is met betrekking tot de hulpvraag van de patiënt toegelicht dat als de patiënt niet openstaat voor een behandeling gericht op de persoonlijkheidsproblematiek, toch een behandeling kan worden voorgesteld, maar dan bijvoorbeeld onder de noemer van een behandeling voor het veranderen van lastige gedachten en/of gevoelens. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op te volgen wijze betoogd dat bij iemand met borderline persoonlijkheidsstoornis en loochening geen sprake is van een gestoorde realiteitstoetsing, zodat het bespreekbaar maken van afweermechanismen onderdeel van de behandeling moet en kan zijn. Appellant kan gevolgd worden in zijn standpunt dat het moeilijk kan zijn voor een professionele hulpverlener om de juiste behandelmethode te vinden en (afweermechanismen bij de) persoonlijkheidspathologie bespreekbaar te maken. Dit is echter volgens de Richtlijn wel te leren. Verder is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep gesteld dat bij stagnatie van de behandeling of het ontbreken van respons (steeds) onderzocht moet worden welke volgende stap nodig is, aan de hand van een beslisboom en stappenplan bij ernstige persoonlijkheidspathologie. Daarbij is de behandeling van de persoonlijkheidspathologie steeds gericht op het beter kunnen functioneren in persoonlijke en sociale situaties. Dit kan volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep leiden tot verbetering van de belastbaarheid.


2.2.

Er zijn geen aanwijzingen om het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist te houden. Het Uwv heeft hiermee zijn standpunt dat geen sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid alsnog toereikend gemotiveerd.


3. Nu het bestreden besluit eerst in hoger beroep van een voldoende motivering is voorzien, zal de Raad het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak, waarbij dit besluit in stand is gelaten, vernietigen. Tevens zal de Raad bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht geheel in stand worden gelaten.


4. De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.225,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 24 juli 2012 gegrond en vernietigt dat besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.225,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht hoger beroep van in totaal € 118,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2015.




(getekend) C.P.J. Goorden




(getekend) D. van Wijk




AP