Centrale Raad van Beroep, 25-09-2015 / 13/3463 AOW


ECLI:NL:CRVB:2015:3578

Inhoudsindicatie
Na tussenuitspraak, waarbij appellant gebrek moest herstellen, volgde bestreden besluit II. Ingeval het bestuursorgaan de uitkering besluit te verminderen naar aanleiding van een gelegd beslag is sprake van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, vaste rechtspraak. Bezwaren betreffende een gelegd beslag kunnen door de beslagdebiteur (in dit geval betrokkene) ingevolge artikel 438 Rv worden voorgelegd aan de civiele rechter en de derdebeslagene (in dit geval appellant) is gehouden volledige medewerking aan het beslag te geven zonder de geldigheid en de omvang daarvan te mogen beoordelen. Aan de bestuursrechter is slechts een beperkte toets opgedragen. Redelijke termijn voor administratieve verwerking van een wijziging in de beslagvrije voet. De bezwaren tegen de besluiten van 20 april 2012 en van 19 januari 2013 zijn terecht ongegrond verklaard en door de rechtbank ten onrechte vernietigd.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-25
Publicatiedatum
2015-10-19
Zaaknummer
13/3463 AOW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • ABkort 2015/361
  • USZ 2015/401
Uitspraak

13/3463 AOW

Datum uitspraak: 25 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 mei 2013, 12/2390 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, Svb (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2015. Partijen zijn zonder bericht niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Op het ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet van betrokkene (AOW) is beslag gelegd. Bij brief van 20 december 2011 heeft Nouta Westland Gerechtsdeurwaarders (deurwaarder) aan appellant bericht dat de beslagvrije voet van betrokkene van € 586,97 naar € 0,- kan worden aangepast en dat sprake is van een openstaande vordering van € 808,-.


1.2.

Bij brief van 9 januari 2012 heeft appellant aan betrokkene medegedeeld dat de inhouding op zijn ouderdomspensioen in verband met het beslag gelegd door de deurwaarder is veranderd. Vanaf januari 2012 houdt appellant één maand € 668,58 en één maand € 139,42 in op het pensioen.


1.3.

Bij brief van 12 januari 2012 heeft de deurwaarder aan appellant bericht dat de beslagvrije voet van betrokkene van € 0,- naar € 601,39 kan worden aangepast.


1.4.

Bij brief van 19 januari 2012 heeft de deurwaarder aan appellant bericht dat de beslagvrije voet van betrokkene per heden van € 601,39 naar € 1.260,53 per maand kan worden aangepast.


1.5.

Ter uitvoering van de brief van 9 januari 2012 heeft appellant op 23 januari 2012 een bedrag van € 668,58 ingehouden op het pensioen van betrokkene en aan de deurwaarder overgemaakt.


1.6.

Appellant heeft op 17, 24, 25, 27 en 31 januari 2012 telefonisch contact gehad met de deurwaarder en om restitutie gevraagd. De deurwaarder heeft dit op 30 januari 2012 afgewezen.


1.7.

Appellant heeft op 13 februari 2012 een bezwaar van betrokkene tegen het besluit van

9 januari 2012 ontvangen. Dit bezwaar is bij beschikking op bezwaar van 20 april 2012 (bestreden besluit I) ongegrond verklaard. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld niet gerechtigd te zijn te treden in de geldigheid en de omvang van het beslag. Het bezwaar kan alleen zien op een onjuiste uitvoering door appellant van het beslag. Appellant heeft voorts toegelicht dat wijzigingen die na een bepaalde datum worden verwerkt, niet meer in het betaalproces over de betreffende maand kunnen worden betrokken. Die datum was voor januari 2012, 13 januari 2012. Het bericht van de deurwaarder van 12 januari 2012 is op

13 januari 2012 ontvangen, doch kon niet op dezelfde dag worden verwerkt. Er kan daarom niet worden gesteld dat een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur is geschonden.


2. In beroep heeft betrokkene gesteld hij op 13 januari 2012 aan appellant heeft laten weten dat de beslagvrije voet ten onrechte is vastgesteld op een bedrag van € 0,-. De deurwaarder heeft appellant op 12 en 19 januari 2012 ook meegedeeld dat de beslagvrije voet moest worden aangepast. Desondanks heeft appellant op 23 januari 2012 betalingen verricht, zonder daarbij rekening te houden met de beslagvrije voet. Dat is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.


2.1.

De rechtbank heeft in een tussenuitspraak van 20 december 2012 geoordeeld dat appellant bij het bestreden besluit I had dienen te beoordelen of de inhouding op dát moment bleef binnen de grenzen van het door de deurwaarder gelegde beslag op de AOW-uitkering. Appellant heeft de informatie uit de brieven van de deurwaarder van 12 en 19 januari 2012 niet in aanmerking genomen bij de beantwoording van de vraag of de inhouding bleef binnen de grenzen van het beslag. Appellant is opgedragen dit gebrek te herstellen.


2.2.

Appellant heeft bij besluit op bezwaar van 19 januari 2013 (bestreden besluit II) het bezwaar primair kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en subsidiair ongegrond. Appellant is gebleven binnen de kaders van het beslag. Tegen de hoogte van het beslaginhouding staat geen bestuursrechtelijke rechtsgang open. Daarom is het bezwaar in zoverre niet-ontvankelijk. De bezwaren zijn ongegrond voor zover zij zijn gebaseerd op de stelling dat de kaders van het beslag zijn overschreden. Appellant heeft gehandeld zoals voorgeschreven en in overeenstemming met het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Daarin wordt aan appellant een beperkte verwerkingstijd gegeven. Ook vloeit daaruit een restitutieplicht voort. Dat de onverplichte interventies van appellant vruchteloos zijn gebleven, impliceert niet dat de restitutieplicht verschuift van de deurwaarder naar appellant.


2.3.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en appellant opgedragen een nieuwe besluit op bezwaar te nemen omdat het in de tussenuitspraak vermelde gebrek niet is hersteld bij bestreden besluit II.


3. In hoger beroep heeft appellant betwist dat de brief van 9 januari 2012 een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Als al sprake is van een besluit, dan dienen latere wijzigingen van de beslagvrije voet geen rol te spelen. De rechterlijke toetsing dient zich te beperken tot de vraag of het bestuursorgaan bij het nemen van zijn betalingsbeslissing is gebleven binnen de kaders van het beslag. Appellant is gehouden volledige medewerking aan een gelegd beslag te verlenen en grieven tegen een gelegd beslag dienen aan de civiele rechter te worden voorgelegd. De niet ontvankelijk-verklaring van het bezwaar is terecht. Appellant heeft niet in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel gehandeld. Voor appellant was het niet meer mogelijk de afdracht aan de deurwaarder over de maand januari 2012 bij te stellen. Appellant heeft daarop gepoogd de deurwaarder tot restitutie te brengen. In weerwil van de op de gerechtsdeurwaarder rustende restitutieplicht, hebben deze pogingen geen resultaat gehad. Volgens vaste rechtspraak van de Kamer voor Gerechtsdeurwaarders en volgens de Nationale Ombudsman (zie het rapport van de Ombudsman van 7 augustus 2003, nr. 2003/254) is de beslaglegger zelf gehouden om met restitutie van de te veel ontvangen termijnbedragen de rechtmatige situatie zo nodig met terugwerkende kracht te herstellen.


4. De Raad overweegt als volgt.


4.1.

In hoger beroep is in geschil de uitvoering van het derdenbeslag in de maand januari in het kader waarvan appellant een bedrag van € 668,58 van het ouderdomspensioen van betrokkene aan de deurwaarder heeft betaald. Appellant heeft betwist dat de brief van

9 januari 2012 als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb dient te worden aangemerkt en, indien dat wel het geval is, betwist dat nadien meegedeelde wijzigingen van de beslagvrije voet in dit geval een rol dienen te spelen.


4.2.

Volgens vaste rechtspraak zijn beslissingen over de uitbetaling van een uitkering onder omstandigheden als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb aan te merken. Dat is het geval indien de betaling van de uitkering wordt verminderd als gevolg van een door het bestuursorgaan genomen beslissing naar aanleiding van een gelegd beslag (CRvB 31 juli 2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AE6792). Er is geen aanleiding hierover in dit geval anders te oordelen.


4.3.

Over de toetsing van dit besluit wordt als volgt overwogen. Volgens vaste rechtspraak - zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 31 januari 2006 (ECLI:NL:CRVB:AV1208) - kan de beslagdebiteur (in dit geval betrokkene) bezwaren betreffende een gelegd beslag ingevolge artikel 438 Rv voorleggen aan de civiele rechter en is de derdebeslagene (in dit geval appellant) gehouden volledige medewerking aan het beslag te geven zonder de geldigheid en de omvang daarvan te mogen beoordelen. Ook de bestuursrechter dient bij de beoordeling van een betalingsbeslissing ter uitvoering van een gelegd beslag de geldigheid van dat beslag als een gegeven te beschouwen en zijn toetsing kan niet verder strekken dan de beantwoording van de vraag of het bestuursorgaan bij het nemen van zijn betalingsbeslissing is gebleven binnen het kader van het beslag. Ter beoordeling ligt dus niet voor of rechtmatig en voor een juist bedrag beslag op de uitkering van betrokkene is gelegd. In zijn uitspraak van 10 juli 2008 (ECLI:NL:CRVB:2008:BD7466) heeft de Raad overwogen dat het bestuursorgaan bij derdenbeslag geen beoordelingsvrijheid toekomt ter zake van de vaststelling van de hoogte van de beslagvrije voet. Over de hoogte van de beslagvrije voet zal de beslagdebiteur zich met de deurwaarder kunnen verstaan. In de uitspraak van 30 juni 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BJ6529) heeft de Raad overwogen dat, in het geval de beslagdebiteur het niet eens is met het door de deurwaarder aan het bestuursorgaan opgegeven bedrag van de beslagvrije voet, de debiteur deze grond kan voorleggen in een civiele procedure tegen de executie en dat de debiteur daarbij opheffing van het beslag kan vorderen voor zover dit beslag de beslagvrije voet te boven gaat. De civiele rechter zal de berekening van de beslagvrije voet in dat geval volledig toetsen.


4.4.

Uit 4.3 volgt dat aan de bestuursrechter slechts een beperkte toets is opgedragen. In dit geval is in geding of appellant binnen deze beperkte toets onzorgvuldig heeft gehandeld door een verhoging van de beslagvrije voet niet in aanmerking te nemen. Appellant heeft bij besluit van 9 januari 2012 terecht de door de deurwaarder meegedeelde beslagvrije voet van € 0,- tot uitgangspunt genomen en aan betrokkene meegedeeld dat in januari 2012 een bedrag van

€ 668,58 op zijn ouderdomspensioen wordt ingehouden. Het is niet onzorgvuldig te achten dat het bedrag van de inhouding niet is aangepast naar aanleiding van de brief van de deurwaarder van 12 januari 2012, waarbij de beslagvrije voet aanzienlijk is verhoogd. De brief van de deurwaarder is op 13 januari 2012 door appellant ontvangen terwijl op die dag ook de betalingsopdrachten voor januari 2012 aan de banken zijn verzonden. In het algemeen mag van een bestuursorgaan worden verwacht dat een wijziging van de beslagvrije voet spoedig wordt verwerkt in betalingsopdrachten maar een termijn van minder dan één dag is daarvoor niet redelijk te achten.


4.5.

Uit het vorenstaande volgt dat bij de besluiten van 20 april 2012 en van 19 januari 2013 terecht het bezwaar ongegrond is verklaard. Ten onrechte zijn die besluiten door de rechtbank vernietigd, zodat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven. Over de niet ontvankelijk-verklaring van het bezwaar wordt overwogen dat het besluit van 19 januari 2013 op dit onderdeel geen stand kan houden, gelet op wat hiervoor onder 4.2 is overwogen.


5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 20 april 2012 ongegrond;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 19 januari 2013 gegrond voor zover gericht tegen

de niet ontvankelijk-verklaring van het bezwaar;

- vernietigt het besluit van 19 januari 2013 in zoverre;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 19 januari 2013 voor het overige ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en E.E.V. Lenos en L. Koper als leden, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 september 2015.




(getekend) T.L. de Vries




(getekend) J.R. van Ravenstein




HD