Centrale Raad van Beroep, 30-09-2015 / 14/994 ZVW


ECLI:NL:CRVB:2015:3583

Inhoudsindicatie
Met de brief van 28 maart 2013 van de directeur van de P.I. is beoogd om een zorgverzekering af te sluiten. Deze brief heeft (de MDD-er namens) de directeur echter ten onrechte niet verzonden aan een zorgverzekeraar maar aan het Zorginstituut. De reactie van het Zorginstituut heeft appellant niet bereikt, waarschijnlijk vanwege de niet volledig juiste adressering. Na het besluit van 5 juli 2013 heeft appellant een zorgverzekering afgesloten zodat hij na afloop van zijn detentie verzekerd was. Gelet op deze omstandigheden heeft appellant aannemelijk gemaakt dat bij hem alle schuld afwezig was. Vernietiging AU.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-30
Publicatiedatum
2015-10-19
Zaaknummer
14/994 ZVW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • NJB 2015/1919
  • ABkort 2015/373
  • JB 2015/207
  • USZ 2015/393
Uitspraak

Datum uitspraak: Datum uitspraak: 30 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

6 januari 2014, 13/733 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


[Appellant] te [woonplaats] (appellant)


Zorginstituut Nederland (Zorginstituut) als rechtsopvolger van het College voor zorgverzekeringen (Cvz)






PROCESVERLOOP


Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Wet cliëntenrechten zorg en andere wetten in verband met de taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit van de zorg (Stb. 2013, 578) oefent het Zorginstituut per 1 april 2014 de bevoegdheden uit die voorheen door Cvz werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder het Zorginstituut mede verstaan Cvz.


Namens appellant heeft mr. A.A. van Harmelen, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het Zorginstituut heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2015. Appellant en zijn gemachtigde zijn na bericht niet verschenen. Het Zorginstituut is vertegenwoordigd door

mr. J.M. Nijman.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten.


1.1.

Het Zorginstituut heeft aan appellant op 18 maart 2013 een brief gestuurd waarin hem wordt meegedeeld dat hij binnen drie maanden een Nederlandse zorgverzekering moet afsluiten. Het Zorginstituut heeft in die brief verder onder meer verwoord dat hij aan appellant een boete oplegt van € 350,- als appellant zich over drie maanden niet heeft verzekerd. Appellant was toen gedetineerd in de [naam P.I.] (P.I.). Appellant heeft zich naar aanleiding van de brief van 18 maart 2013 gewend tot een medewerker maatschappelijke dienstverlening (MMD-er) van de P.I..


1.2.

De directeur van de P.I., voor deze getekend door MMD Vestiging Norgerhaven, heeft in een brief van 28 maart 2013 het volgende geschreven:

‘Bij dezen verklaar ik, dat [Appellant] (…) sinds 26-10-2005 gedetineerd is, en verblijft sinds 30-12-2009 in de vestiging [naam vestiging] , locatie Norgerhaven. De einddatum is thans gesteld op 10-09-2014. [Appellant] verzoekt u om een Basisverzekering af te mogen sluiten en deze op te schorten tot het einde van zijn detentie. Tijdens zijn detentie is betrokkene verzekerd door justitie.’Deze brief bevat geen adressering in het brievenhoofd.


1.3.

In een ongedateerde brief heeft de MDD-er appellant voorgelicht dat iedere Nederlander verplicht is een zorgverzekering te hebben. In die brief heeft de MDD-er appellant verwezen naar bijgevoegde formulieren om een Menzis verzekering af te kunnen sluiten en vermeld dat een basisverzekering voldoende is.


1.4.

Het Zorginstituut heeft in een brief van 11 april 2013, gericht aan de P.I., meegedeeld de brief van 28 maart 2013 te hebben ontvangen. Het Zorginstituut heeft appellant daarin verder meegedeeld dat hij zo snel mogelijk een zorgverzekering moet afsluiten. Op deze brief staat een onjuiste postcode vermeld.


1.5.

Op 5 juli 2013 heeft het Zorginstituut een besluit genomen om aan appellant een boete op te leggen van € 369,51 omdat hij op 18 juni 2013 nog geen Nederlandse zorgverzekering had afgesloten. Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt.


1.6.

Het Zorginstituut heeft het bezwaar van appellant ongegrond verklaard in een besluit van 15 augustus 2013. Appellant heeft daartegen beroep ingesteld.


2. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen. Gelet op de brief van 18 maart 2013 van het Zorginstituut had het appellant duidelijk moeten zijn dat hij zich moest verzekeren tegen ziektekosten. Het komt voor rekening en risico van appellant als het zo is dat hij onjuiste informatie heeft gekregen van de MMD-er van de P.I.. Appellant heeft gesteld dat de MMD-er op 28 maart 2013 een onjuiste brief heeft geschreven en dat appellant de brief van 11 april 2013 van het Zorginstituut niet heeft gekregen. Deze omstandigheden doen er niet aan af dat appellant al door de brief van 18 maart 2013 op de hoogte was of moest zijn van zijn plicht om een zorgverzekering af te sluiten en dat bij verzuim een boete zou worden opgelegd. Het Zorginstituut heeft terecht geen aanleiding gezien om de boete te matigen. Van bijzondere omstandigheden is niet gebleken.


3. Appellant heeft in hoger beroep het volgende aangevoerd. Hij is het niet eens met de opgelegde boete. Door de onjuiste informatie van de MDD-er is zijn zorgverzekering niet op tijd afgesloten. Hij was afhankelijk van de MDD-er omdat hij vanwege zijn detentie niet in de gelegenheid was op een andere manier aan informatie te komen. De brief van 11 april 2013 van het Zorginstituut, waaruit blijkt dat appellant over onjuiste informatie beschikte, heeft hem nooit bereikt. Dat komt omdat op deze brief een onjuiste postcode staat. Er is sprake geweest van een misverstand. Toen hem door het besluit van 5 juli 2013 duidelijk werd dat hij alsnog een zorgverzekering moest afsluiten, heeft appellant direct deze verzekering afgesloten. Appellant heeft nooit de regeling willen omzeilen. Verder is het zo, dat het doel van de wettelijke verplichting tot het afsluiten van een zorgverzekering is de voorkoming van onverzekerde burgers die anders een gevaar vormen voor de volksgezondheid en de maatschappij tot financiële last zijn omdat gemaakte kosten niet worden gedekt of vergoed. In het geval van een detentie doen zich dergelijke risico’s niet voor omdat het Ministerie van Justitie zorg draagt voor medische zorg. De premiebetaling voor een zorgverzekering wordt daarom tijdens de detentie opgeschort.

4. De Raad overweegt het volgende.


4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant op 18 juni 2013 nog geen zorgverzekering had afgesloten, terwijl hij daartoe wel wettelijk verplicht was. In de brief van 18 maart 2013 heeft het Zorginstituut appellant aangemaand om een zorgverzekering af te sluiten


4.2.

Ingevolge artikel 9b, eerste lid, van de Zvw legt het Zorginstituut, als een verzekeringsplichtige aan wie een aanmaning is verzonden niet binnen drie maanden na verzending daarvan verzekerd is, aan hem een bestuurlijke boete op. Ingevolge het tweede lid van dit artikel is de hoogte van de boete gelijk aan driemaal de tot een maandbedrag herleide standaardpremie, bedoeld in de Wet op de zorgtoeslag.


4.3.

Het Zorginstituut heeft aan appellant een boete opgelegd in overeenstemming met de boete, zoals vastgesteld in artikel 9b, tweede lid, van de Zvw. Tussen partijen is in geschil of de boete terecht is opgelegd. Appellant vindt dat de overtreding niet aan hem kan worden verweten. De Raad vat de gronden van appellant op als een beroep op artikel 5:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4.4.

Artikel 5:41van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), bepaalt dat het bestuursorgaan geen boete oplegt voor zover de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten.


4.5.

De te beantwoorden vraag is of appellant de afwezigheid van alle schuld aannemelijk heeft weten te maken.


4.6.

Met de brief van 28 maart 2013 van de directeur van de P.I. is beoogd om een zorgverzekering af te sluiten. Deze brief heeft (de MDD-er namens) de directeur echter ten onrechte niet verzonden aan een zorgverzekeraar maar aan het Zorginstituut. De onder 1.3 genoemde ongedateerde brief van de MDD-er aan appellant was gevoegd bij deze brief van 28 maart 2013. Aannemelijk is dat met de ‘formulieren’ genoemd in deze ongedateerde brief wordt gedoeld op de brief van 28 maart 2013. De brief van 28 maart 2013 bevat geen adressering in het brievenhoofd. Kennelijk is uitsluitend op de envelop het adres van het Zorginstituut vermeld. Gelet op deze omstandigheden is het begrijpelijk dat appellant er van uit is gegaan dat op de juiste wijze bij een zorgverzekeraar een aanvraag voor een zorgverzekering was ingediend. De reactie in de brief van 11 april 2013 van het Zorginstituut heeft appellant niet bereikt, waarschijnlijk vanwege de niet volledig juiste adressering. Appellant is daarom in de veronderstelling gebleven dat voor hem een zorgverzekering was afgesloten. Appellant heeft direct nadat hem bleek dat dit een onjuiste veronderstelling was, dus na het besluit van 5 juli 2013, een zorgverzekering afgesloten zodat hij na afloop van zijn detentie verzekerd was.


4.7.

Met de hiervoor beschreven omstandigheden heeft appellant aannemelijk gemaakt dat bij hem alle schuld afwezig was. Dat leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het beroep tegen het besluit van 15 augustus 2013 wordt alsnog gegrond verklaard en dat besluit wordt vernietigd. Het besluit van 5 juli 2013 wordt herroepen.


5. De Raad ziet aanleiding het Zorginstituut te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden voor rechtsbijstand begroot op € 490,- in beroep en op € 490,- in hoger beroep.












BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:


- vernietigt de aangevallen uitspraak; - verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 15 augustus 2013; - herroept het besluit van 5 juli 2013 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt

van het besluit van 15 augustus 2013;- veroordeelt het Zorginstituut in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep tot

een bedrag van in totaal € 980,-; - bepaalt dat het Zorginstituut aan appellant het betaalde griffierecht in beroep en hoger

beroep vergoedt tot een bedrag van € 166,-



Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2015.




(getekend) A.J. Schaap




(getekend) P. Uijtdewillegen



AP