Centrale Raad van Beroep, 10-02-2015 / 13-5823 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:359

Inhoudsindicatie
De aard en inhoud van het primaire besluit, strekkende tot het buiten behandeling laten van de aanvraag om bijstand, brengen immers mee dat bij de heroverweging in bezwaar van dat besluit in beginsel geen betekenis toekomt aan gegevens of bescheiden die na het primaire besluit alsnog zijn verstrekt. Van dat uitgangspunt kan worden afgeweken indien het gegevens of bescheiden betreft waarvan zou moeten worden aangenomen dat appellant redelijkerwijs niet in staat is geweest om ter zake informatie binnen de gestelde termijn te verstrekken. Hiervan was in dit geval geen sprake. Vernietiging uitspraak. Beroep ongegrond.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-10
Publicatiedatum
2015-02-13
Zaaknummer
13-5823 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5823 WWB

Datum uitspraak: 10 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

25 september 2013, 13/4461 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2014. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Vukovic. Betrokkene is in persoon verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Op 18 oktober 2012 heeft betrokkene een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend.


1.2.

Bij brieven van 19 oktober 2012, 21 november 2012 en 23 november 2012 heeft appellant betrokkene verzocht nadere stukken over te leggen.


1.3.

Bij besluit van 7 december 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 april 2013 (bestreden besluit), heeft appellant de aanvraag van betrokkene met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld. Appellant heeft hieraan ten grondslag gelegd dat betrokkene voor 4 december 2012 enkele van de gevraagde stukken niet had overgelegd, te weten de balans en winst- en verliesrekening over de jaren 2009, 2010 en 2011 en alle bankafschriften met alle volgnummers van het

rekeningnummer 5883899 van de afgelopen maand.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit van 7 december 2012 herroepen en bepaald dat de aanvraag van betrokkene alsnog in behandeling wordt genomen. De rechtbank heeft daartoe, samengevat, overwogen dat betrokkene de gevraagde jaarstukken op

8 november 2012 heeft ingeleverd, zodat de buitenbehandelingstelling uitsluitend nog kan steunen op het niet tijdig inleveren van de genoemde bankrekeninggegevens. Deze gegevens heeft betrokkene op 12 december 2012 ingeleverd en daaruit blijkt een negatief saldo van € 2,30. Dit is voor de rechtbank aanleiding geweest om te oordelen dat, hoewel appellant formeel bevoegd was tot buitenbehandelingstelling, bij de afweging van alle betrokken belangen in de huidige omstandigheden niet staande kan worden gehouden dat de handhaving van de buitenbehandelingstelling in bezwaar evenredig is. De rechtbank heeft daarbij laten meewegen dat de bankrekeninggegevens inmiddels waren overgelegd en dat deze, gelet op het geringe negatieve saldo daarop, van zeer geringe betekenis blijken voor het beoordelen van de aanvraag.


3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken grond tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Ingevolge artikel 4:5, eerste lid, van de Awb kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor het in behandeling nemen van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan te stellen termijn de aanvraag aan te vullen. Zoals blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling is onder meer sprake van een onvolledige en ongenoegzame aanvraag indien onvoldoende gegevens of bescheiden zijn verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.


4.2.

Niet in geschil is dat de gevraagde bankrekeninggegevens voor de beslissing op de aanvraag van betrokkene nodig zijn, dat appellant betrokkene in de gelegenheid heeft gesteld de aanvraag aan te vullen en dat die aanvulling niet binnen de aan betrokkene gegeven termijn, die eindigde op 4 december 2012, heeft plaatsgevonden. Ten tijde van het nemen van het besluit van 7 december 2012 was daarom voldaan aan de in artikel 4:5, eerste lid, van de Awb gestelde voorwaarden om de aanvraag niet in behandeling te nemen.


4.3.

Appellant heeft onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 25 september 2007 (ECLI:NL:CRVB:2007:BB5267) aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte betekenis heeft toegekend aan de inhoud van de bankrekeninggegevens die betrokkene na het besluit van

7 december 2012 heeft overgelegd. Deze grond slaagt. Zoals de Raad in bovengenoemde uitspraak heeft overwogen brengen de aard en inhoud van het primaire besluit, strekkende tot het buiten behandeling laten van de onderhavige aanvraag om bijstand, immers mee dat bij de heroverweging in bezwaar van dat besluit in beginsel geen betekenis toekomt aan gegevens of bescheiden die na het primaire besluit alsnog zijn verstrekt. Van dat uitgangspunt kan worden afgeweken indien het gegevens of bescheiden betreft waarvan zou moeten worden aangenomen dat appellant redelijkerwijs niet in staat is geweest om ter zake informatie binnen de gestelde termijn te verstrekken. Hiervan was in dit geval geen sprake. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 29 april 2013 ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2015.




(getekend) M. Hillen




(getekend) C.M. Fleuren



HD