Centrale Raad van Beroep, 15-01-2015 / 13-3331 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:36

Inhoudsindicatie
Aanwijzing standplaats en plaats van tewerkstelling. De minister heeft als plaats van tewerkstelling in de zin van het artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van het Verplaatsingskostenbesluit 1989 en artikel 2, aanhef en onder d, van het Reisbesluit binnenland voor appellant ook na de reorganisatie, gezien zijn functie en plaats in de organisatie, de vestiging [vestiging 1] in [plaats 1] mogen aanwijzen. De Raad ziet geen grondslag voor het standpunt van appellant dat dit op grond van de in het OB vastgelegde afspraken de vestiging [vestiging 3] in [plaats 2] had moeten zijn, een organisatieonderdeel waar appellant functioneel niets mee te maken had. Geen sprake van een onjuiste toepassing van het reorganisatiebesluit.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-01-15
Publicatiedatum
2015-01-16
Zaaknummer
13-3331 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/3331 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

23 mei 2013, 12/3427 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Infrastructuur en Milieu (minister)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2014. Appellant is verschenen en de minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.J. van Wely. Als getuigen zijn verschenen en gehoord [getuige 1] en [getuige 2].

OVERWEGINGEN


1. Appellant is als gevolg van het ontstaan van het nieuwe ministerie van Infrastructuur en Milieu en de oprichting van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) bij besluit van

8 december 2011 met ingang van 1 januari 2012 geplaatst bij het organisatieonderdeel [organisatieonderdeel]in de functie van senior inspecteur, schaal 12. Bij dit besluit is [plaats 1] als zijn standplaats en plaats van tewerkstelling aangewezen. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 28 juni 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit, dat alleen was gericht tegen de plaats van tewerkstelling, ongegrond verklaard.


3.1.

In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat zijn plaats van tewerkstelling [plaats 2] moet zijn. Het in het Organisatie Besluit Inspectie Leefomgeving en Transport 2011 (OB) opgenomen beleid “woonplaats is standplaats” acht hij van toepassing op alle medewerkers. Hij kan een groot deel van zijn werkzaamheden uitvoeren in [plaats 2] en dat gaat volgens hem niet te koste van de efficiëntie.


3.2.

De minister heeft de stellingen van appellant gemotiveerd weersproken.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Appellant stelt dat het OB op onjuiste wijze is toegepast. Hij heeft niet beoogd zich te richten tegen de structuur en inrichting van de organisatie, zodat de rechtbank ten onrechte een terughoudende toets heeft toegepast. Hierin kan appellant op zich worden gevolgd. Nu de rechtbank echter, gezien de overige overwegingen, het bestreden besluit feitelijk niet op een terughoudende wijze heeft getoetst, leidt dit niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.


4.2.

Het betoog van appellant dat het overgangsbeleid “woonplaats is standplaats” ook voor hem zou gelden treft geen doel, op de grond dat appellant voor de reorganisatie al [plaats 1] als standplaats had en niet zijn woonplaats. Dit overgangsbeleid heeft de minister mogen bestemmen voor inspecteurs met een ambulante functie, van wie de woonplaats al de standplaats was vóór de reorganisatie.


4.3.

De minister heeft als plaats van tewerkstelling in de zin van het artikel 2, eerste lid,

aanhef en onder d, van het Verplaatsingskostenbesluit 1989 en artikel 2, aanhef en onder d, van het Reisbesluit binnenland voor appellant ook na de reorganisatie, gezien zijn functie en plaats in de organisatie, de vestiging [vestiging 1] in [plaats 1] mogen aanwijzen. De Raad ziet geen grondslag voor het standpunt van appellant dat dit op grond van de in het OB vastgelegde afspraken de vestiging [vestiging 3] in [plaats 2] had moeten zijn, een organisatieonderdeel waar appellant functioneel niets mee te maken had. Dat het OB de mogelijkheid geeft om als plaats van tewerkstelling een nevenvestigingsplaats aan te wijzen, betekent niet dat met de hier gemaakte keuze sprake is van een onjuiste toepassing van dit reorganisatiebesluit.


4.4.

Door partijen is ter zitting nogmaals bevestigd dat het appellant wel is toegestaan een groot deel van zijn werkzaamheden in [plaats 2] te verrichten bij de vestiging [vestiging 2]. Dat neemt echter niet weg dat de minister [plaats 1] als zijn officiële standplaats en plaats van tewerkstelling heeft mogen handhaven, nu daar ook na de reorganisatie zijn dienstonderdeel was gevestigd.


4.5.

De Raad volgt de rechtbank eveneens in het oordeel dat het besluit op bezwaar voldoende gemotiveerd is.


5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en B.J. van de Griend en

M.T. Boerlage als leden, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2015.




(getekend) A. Beuker-Tilstra




(getekend) C.A.W. Zijlstra




HD