Centrale Raad van Beroep, 20-10-2015 / 14/5446 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:3609

Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag om bijzondere bijstand voor het betalen van griffierecht. Aanvraag te laat ingediend. Buitenwettelijk beleid toegepast.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-20
Publicatiedatum
2015-10-26
Zaaknummer
14/5446 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/5446 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

15 augustus 2014, 13/7942 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.H. van Zundert, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 8 september 2015. Van de zijde van appellante is niemand verschenen. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante heeft op 17 april 2013 een aanvraag om bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend voor door haar betaalde griffierechten in de periode van 10 december 2007 tot en met 23 maart 2012.


1.2.

Bij besluit van 17 juni 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 oktober 2013 (bestreden besluit), heeft het college deze aanvraag met toepassing van artikel 35, eerste lid van de WWB afgewezen. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat de nota’s ouder zijn dan een jaar. Gelet hierop was voor verlening van bijzondere bijstand in die kosten geen plaats. Er zijn geen (bijzondere) omstandigheden die een uitzondering op dit uitgangspunt rechtvaardigen.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Volgens vaste rechtspraak (CRvB 15 mei 2007, LJN BA6875) vloeit uit artikel 43, eerste lid, van de WWB voort dat in beginsel geen bijzondere bijstand wordt verleend voor kosten die zijn opgekomen vóór de datum waarop de aanvraag om bijstand is ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.


4.2.

Het college voert het buitenwettelijk begunstigend beleid (beleid) inhoudende dat tot een jaar nadat de kosten voor bijzondere bijstand zijn opgekomen een aanvraag kan worden ingediend voor vergoeding van die kosten. Nota’s die ouder zijn dan een jaar worden niet vergoed tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Naar vaste rechtspraak (uitspraak van 6 augustus 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1297) wordt buitenwettelijk begunstigend beleid als gegeven beschouwd en dient de bestuursrechter te volstaan met de beoordeling van de vraag of het bestuursorgaan het beleid op consistente wijze heeft toegepast.


4.3.

Niet in geschil is dat de in geding zijnde nota’s ten tijde van de indiening van de aanvraag meer dan een jaar oud waren. Het college heeft met afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand dan ook in overeenstemming met zijn beleid gehandeld. Appellante stelt dat zij haar aanvraag om bijzondere bijstand voor griffiekosten niet eerder heeft ingediend omdat per

1 juli 2011 het beleid van het college was gewijzigd, waardoor de griffiekosten niet meer vergoed zouden worden vanuit de bijstand. Dat beleid heeft het college per 1 augustus 2012 weer teruggedraaid. Appellante is daarvan pas begin 2013 op de hoogte gekomen, waarna zij op 17 april 2013 de aanvraag heeft ingediend. Voor zover appellante hiermee met een beroep op bijzondere omstandigheden heeft beoogd te stellen dat het college had moeten afwijken van het beleid slaagt deze grond niet, reeds gelet op de onder 4.2 weergegeven beperkte toets. Daar komt bij dat appellante geen goede verklaring heeft gegeven voor het feit dat zij, nadat zij begin 2013 bekend werd met de beleidswijziging per 1 augustus 2012, nog ongeveer drie maanden heeft gewacht met het indienen van een aanvraag. Appellante voldoet niet aan de voorwaarden van het beleid.


4.4.

Appellante stelt zich verder op het standpunt dat het door het college gevoerde beleid niet op consistente wijze is toegepast. Ter onderbouwing van haar stelling heeft appellante in hoger beroep een aantal door haar in 2003, 2007 en 2014 ingediende declaraties overgelegd. Daaruit kan volgens appellante worden opgemaakt dat het college in het verleden ook kostenposten uit een ander jaar dan het jaar van de declaratie heeft vergoed. Deze beroepsgrond treft geen doel. Daarbij is van belang dat aan de hand van de overgelegde declaraties niet kan worden vastgesteld wanneer de gedeclareerde kosten zijn opgekomen. Zo met appellante al zou moeten worden aangenomen dat bijzondere bijstand is verleend voor kosten die langer dan een jaar voor de declaratie ervan zijn opgekomen dan betreft dat voorts slechts incidenten, waarbij bovendien hooguit sprake is geweest van zeer geringe overschrijdingen in de tijd.


4.5.

Uit wat onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat het college de aanvraag om bijzondere bijstand op goede gronden heeft afgewezen. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2015.




(getekend) F. Hoogendijk




(getekend) P.C. de Wit


HD