Centrale Raad van Beroep, 10-02-2015 / 13-5815 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:361

Inhoudsindicatie
Verlaging bijstand. Appellant is zijn arbeidsverplichtingen niet nagekomen door niet te verschijnen op de afspraken.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-10
Publicatiedatum
2015-02-13
Zaaknummer
13-5815 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5815 WWB, 13/5816 WWB

Datum uitspraak: 10 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

7 oktober 2013, 13/3446 en 13/3342 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.M. Dezfouli, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2014. Namens appellant is

mr. Dezfouli verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Ahmed.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant heeft laatstelijk sinds 7 februari 2011 bijstand ontvangen ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).


1.2.

In december 2012 heeft een onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige naar de mogelijkheden van appellant voor arbeidsinschakeling. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 17 december 2012. De conclusie luidt dat appellant belastbaar is voor (een traject naar) algemeen geaccepteerde arbeid voor 40 uur (tien dagdelen) per week.


1.3.

Op 22 januari 2013 heeft het college appellant een waarschuwing gegeven omdat hij niet was verschenen op de oproep voor een gesprek met de bedrijfsverpleegkundige van het

Re-integratiebedrijf Amsterdam (RBA) op 21 januari 2013. Vervolgens heeft het college appellant opgeroepen te verschijnen op 21 februari 2013 bij het RBA in verband met een oriëntatieperiode teneinde voor appellant het juiste vervolgtraject te bepalen. Appellant heeft ook aan deze oproep geen gehoor gegeven, waarna het college appellant opnieuw een waarschuwing heeft gegeven en hem heeft meegedeeld dat een volgend verzuim gevolgen kan hebben voor zijn bijstandsuitkering. Vervolgens heeft het college appellant opgeroepen voor een gesprek op 27 februari 2013.


1.4.

Bij besluit van 27 februari 2013 heeft het college de bijstand van appellant over de maand maart 2013 met 30 % verlaagd, omdat appellant zich zonder geldige reden heeft afgemeld voor het gesprek. In dit besluit heeft het college appellant voorts opgeroepen voor een gesprek op 7 maart 2013.


1.5.

Bij besluit van 13 maart 2013 heeft het college de bijstand van appellant over de maand april 2013 met 100 % verlaagd, omdat appellant zonder bericht niet is verschenen op

7 maart 2013.


1.6.

Bij besluiten van respectievelijk 28 en 29 mei 2013 (bestreden besluiten 1 en 2) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 27 februari 2013 en 13 maart 2013 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - samengevat - overwogen dat appellant zijn arbeidsverplichtingen niet is nagekomen door niet te verschijnen op de afspraken op

27 februari 2013 en 7 maart 2013. Appellant heeft volgens de rechtbank niet met een geldige reden afgezegd voor het gesprek op 27 februari 2013, omdat hij zijn stelling dat hij overspannen was geraakt door zijn klantmanager niet met stukken heeft onderbouwd. De omstandigheid dat appellant het niet goed kan vinden met zijn klantmanager ontslaat hem naar het oordeel van de rechtbank niet van zijn verplichting om op oproepen te verschijnen. Het college hoefde appellant niet nog een extra kans te geven, gelet op de eerdere waarschuwingen. Dat appellant alleen de eerste pagina van het besluit van 27 februari 2013 heeft gelezen, waardoor hij de oproep voor het gesprek op 7 maart 2013 over het hoofd heeft gezien, dient voor rekening en risico van appellant te blijven. De rechtbank heeft vervolgens geconcludeerd dat het college overeenkomstig artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Maatregelverordening Inkomensvoorziening de bijstand van appellant terecht heeft verlaagd met 30 % over de maand maart 2013 en met 100 % over de maand april 2013.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft evenals in beroep, kort gezegd, aangevoerd dat hij zich voor het gesprek op 27 februari 2013 ziek had gemeld en dat hij de oproep voor het gesprek op 7 maart 2013 over het hoofd heeft gezien. Het college is bij de besluitvorming onzorgvuldig geweest doordat niet eerst contact is opgenomen met appellant om te vragen waarom hij zich had ziek gemeld en waarom hij niet op de afspraak was verschenen alvorens tot de maatregelen over te gaan.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Appellant heeft ter zitting erkend dat het voor zijn rekening en risico komt dat hij in het besluit van 27 februari 2013 de oproep te verschijnen op gesprek op 7 maart 2013 over het hoofd heeft gezien, zodat het geschil zich toespitst op de vraag of appellant een geldige reden had om niet op het gesprek op 27 februari 2013 te verschijnen. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat zijn ziekmelding daarvoor een geldige reden is, zodat uitsluitend het niet verschijnen op het gesprek op 7 maart 2013 als maatregelwaardige gedraging kan worden aangemerkt en het college om die reden alleen bevoegd was de bijstand te verlagen met 30 % over de maand april 2013.


4.2.

Wat appellant ter onderbouwing heeft aangevoerd van zijn standpunt dat hij een geldige reden had om zich af te melden voor het gesprek op 27 februari 2013 komt neer op een herhaling van wat hij reeds in beroep ter zake naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft die gronden op juiste wijze besproken en afdoende gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. Appellant heeft geen nadere gronden aangevoerd of op andere wijze aannemelijk gemaakt waarom naar zijn opvatting het door de rechtbank gegeven oordeel over zijn gronden onjuist dan wel onvolledig is, zodat geen aanleiding bestaat anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan.


4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2015.




(getekend) M. Hillen




(getekend) C.M. Fleuren



HD