Centrale Raad van Beroep, 20-10-2015 / 14/5108 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:3611

Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag om bijzondere bijstand toe te kennen voor de kosten van woninginrichting. Urgentie verhuizen. Reserveren.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-20
Publicatiedatum
2015-10-26
Zaaknummer
14/5108 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/5108 WWB

Datum uitspraak: 20 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

30 juli 2014, 13/7597 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.K.E. Rodrigues Pereira, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 september 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Rodrigues Pereira. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.E. Carter.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontvangt sinds 26 januari 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Op 23 augustus 2013 heeft appellant bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van woninginrichting.


1.2.

Bij besluit van 29 augustus 2013 heeft het college de aanvraag afgewezen, omdat deze kosten onder de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan vallen die moeten worden betaald uit het eigen inkomen of vermogen.


1.3.

Bij besluit van 18 november 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 augustus 2013 ongegrond verklaard. Hieraan ligt in de eerste plaats ten grondslag dat het Noodfonds Amsterdam als voorliggende voorziening kan worden aangemerkt en de aanvraag om die reden moet worden afgewezen. Voorts heeft het college aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de kosten van woninginrichting tot de periodiek dan wel incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan worden gerekend, die in beginsel dienen te worden bestreden uit het inkomen, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Niet gebleken is dat sprake is van bijzondere omstandigheden.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Ter zitting heeft de gemachtigde van het college het bestreden besluit gewijzigd in die zin dat aan de afwijzing niet langer ten grondslag wordt gelegd dat sprake is van een voorliggende voorziening. Het hier te beoordelen geschil betreft dan ook de vraag of het college terecht aan de afwijzing ten grondslag heeft gelegd dat geen sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB).


4.2.

De gevraagde inrichtingskosten dienen gerekend te worden tot de periodiek dan wel incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze kosten dienen in beginsel te worden bestreden uit het inkomen, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Daarvoor wordt alleen bijzondere bijstand verleend indien de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden in het individuele geval, die ertoe leiden dat die kosten niet uit de algemene bijstand en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan.


4.3.

In paragraaf 9.5.9 van de door het college gehanteerde Werkvoorschriften van de gemeente Amsterdam - samengevat en voor zover van belang - is bepaald dat de kosten voor een verhuizing en woninginrichting niet voor bijstandsverlening in aanmerking komen. De wens om te verhuizen is geen bijzondere omstandigheid. Verhuizingen zijn voorzienbaar en voor de kosten die met een verhuizing en inrichting samenhangen zal dan ook vooraf gereserveerd moeten worden. Alleen in bijzondere situaties, waarbij sprake is van bijzondere medische of sociale redenen die een plotselinge verhuizing noodzakelijk maken, terwijl geen beroep op een voorliggende voorziening mogelijk is, kan bijstand voor deze kosten worden verstrekt. Dit gedeelte van de werkvoorschriften is als een nadere uitwerking van het begrip bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB aan te merken indien het gaat om bijzondere bijstand voor kosten die verband houden met een verhuizing en woninginrichting.


4.4.

Appellant heeft aangevoerd dat hij niet alleen vanwege zijn schulden niet in staat was te reserveren, maar dat sprake was van een combinatie van problemen, waaronder zijn verslavingsproblematiek, zijn fysieke gesteldheid en het leiden van een zwervend bestaan. Hoewel appellant erkent dat zijn situatie niet exact valt onder de in het beleid van de gemeente Amsterdam beschreven gevallen, meent appellant dat ook in zijn geval sprake is van een acute noodsituatie en hij om die reden voor bijzondere bijstand in aanmerking komt.


4.5.

Niet in geschil is dat appellant aannemelijk heeft gemaakt dat er een medische en sociale urgentie voor zijn verhuizing was. Vaststaat echter dat appellant deze medische urgentie reeds op 30 juli 2012 heeft verkregen en dat hij op dat moment al een jaar op de wachtlijst voor een woning stond. Na het verkrijgen van deze urgentie heeft appellant nog een jaar op een woning moeten wachten, zodat de verhuizing voorzienbaar kan worden geacht. Appellant had daarvoor kunnen en moeten reserveren uit zijn WAO-uitkering. Dat appellant schulden heeft opgebouwd door zijn verslavingsproblematiek, maakt dit niet anders. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 24 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2318) is het ontbreken van voldoende reserveringsruimte in verband met schulden en de daaruit voortvloeiende betalingsverplichtingen geen bijzondere omstandigheid. De kosten die daarmee verband houden, kunnen niet worden afgewenteld op de WWB. Deze beroepsgrond faalt.


4.6.

Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat de door appellant aangevoerde omstandigheden niet kunnen worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 35, eerste lid, van de WWB op grond waarvan het college tot het verlenen van bijzondere bijstand had moeten overgaan. Het college heeft de aanvraag om bijzondere bijstand dan ook terecht afgewezen.


4.7.

Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep niet, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2015.




(getekend) G.M.G. Hink




(getekend) J.L. Meijer




HD