Centrale Raad van Beroep, 15-10-2015 / 14/5409 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:3618

Inhoudsindicatie
Verrekening te veel opgenomen verlofuren met de nog aan appellant uit te betalen bezoldiging. Eervol ontslag in verband met het accepteren van een baan bij een andere gemeente. Artikel 117, eerste lid, van de AW, in samenhang met artikel 6:2:3, eerste lid, van de CAR/UWO, geeft de bevoegdheid tot verrekening. Het college heeft in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot verrekening gebruik mogen maken.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-15
Publicatiedatum
2015-10-22
Zaaknummer
14/5409 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
Uitspraak

14/5409 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

26 augustus 2014, 14/1073 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Haaksbergen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.A.A.M. Nijland hoger beroep ingesteld.

Namens het college heeft mr. P.J. Schaap, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 september 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Nijland. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Schaap en M.E. Kragting-de Groot.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant was werkzaam bij de gemeente [gemeente] , laatstelijk als Beleidsmedewerker Participatie. Bij brief van 18 juli 2013 heeft appellant het college verzocht zijn aanstelling per 1 september 2013 te beëindigen in verband met het accepteren van een baan bij een andere gemeente.


1.2.

Bij besluit van 1 augustus 2013 heeft het college appellant eervol ontslag verleend met ingang van 1 september 2013. Daarbij is tevens beslist dat vanwege 55,7 te veel opgenomen verlofuren een bedrag van € 1.499,35 zal worden verrekend met de in september 2013 nog aan appellant uit te betalen bezoldiging.


1.3.

Het college heeft het bezwaar van appellant tegen de verrekening bij besluit van

25 maart 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak overwogen dat niet in geding is of er te veel verlofuren zijn opgenomen en wat de geldelijke waarde van het teveel genoten verlof is. Partijen zijn uitsluitend verdeeld over de vraag of voor de verrekening een juridische grondslag bestaat. De rechtbank heeft geoordeeld dat de verrekening grondslag vindt in

artikel 117, eerste lid, van de Ambtenarenwet (AW) en dat het beroep daarom ongegrond is.


3.1.

Appellant heeft in hoger beroep gewezen op artikel 6.6 van de Nieuwe Rechtspositieregeling Gemeente Amsterdam (NRGA) waarin expliciet is geregeld dat als de ambtenaar bij ontslag meer vakantie blijkt te hebben opgenomen dan hem toekomt, de te veel opgenomen vakantie wordt verrekend of teruggevorderd op basis van zijn wedde per uur. Nu een vergelijkbaar voorschrift in de in Haaksbergen geldende Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling/Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) ontbreekt, zou verrekening in zijn geval niet mogen plaatsvinden, aldus appellant. Met verwijzing naar een uitspraak van de kantonrechter te Zaandam heeft hij gesteld dat verrekening bij gebreke van een wettelijke grondslag alleen mogelijk is als partijen die mogelijkheid uitdrukkelijk zijn overeengekomen. Daarvan is hier geen sprake.


3.2.

Het college heeft gemotiveerd verweer gevoerd en bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De door appellant aangehaalde uitspraak van de kantonrechter heeft voor dit geding geen betekenis, nu het hier gaat om een ambtelijke rechtsverhouding waarop regels van ambtenarenrecht van toepassing zijn.


4.2.1.

In artikel 117, eerste lid, van de AW is bepaald: “Met de door de Staat of de openbare lichamen verschuldigde bezoldiging kan worden verrekend hetgeen de ambtenaar als zodanig aan hen zelf verschuldigd is.”


4.2.2.

In artikel 6:2:3, eerste lid, van de CAR/UWO is bepaald: “De ambtenaar die in de loop van een kalenderjaar is aangesteld of wordt ontslagen heeft recht op vakantie naar rato van de tijd dat hij zijn betrekking vervult.”


4.3.

Dat de CAR/UWO geen dwingendrechtelijke bepaling kent zoals artikel 6.6 van de NRGA, op grond waarvan het bestuursorgaan verplicht is tot verrekening of terugvordering, leidt niet tot de conclusie dat er dus in een gemeente waar de CAR/UWO geldt geen sprake kan zijn van een bevoegdheid tot verrekening van te veel genoten vakantie-uren. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat artikel 117, eerste lid, van de AW, in samenhang met artikel 6:2:3, eerste lid, van de CAR/UWO, deze bevoegdheid geeft. Het betreft hier een zogenaamde kan-bepaling die een discretionaire bevoegdheid van het bestuursorgaan uitdrukt. De rechter staat in zo’n geval voor de vraag of het bestuursorgaan gelet op de omstandigheden van het geval in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.


4.4.

Bij de beantwoording van deze vraag acht de Raad in dit geval van belang dat het een ontslag op eigen verzoek betreft, waarbij betrokkene zich er ten tijde van zijn ontslagverzoek bewust van moet zijn geweest dat hij - mede door het ouderschapsverlof dat hem kort tevoren was toegestaan - op de door hem gewenste ontslagdatum in het kalenderjaar 2013 meer verlofuren zou hebben genoten dan hem naar rato toekwamen. Gesteld noch gebleken is dat appellant er vanuit mocht gaan dat geen verrekening zou plaatsvinden. Integendeel, bij een overstap van de ene naar de andere gemeente is het - naar ter zitting van de Raad door het college onweersproken is gesteld - niet ongebruikelijk dat in overleg met de oude en de nieuwe werkgever een regeling wordt getroffen waarbij verlofdagen, zowel bij een overschot als bij een tekort, worden verrekend. Afzien van verrekening, zoals door appellant bepleit, zou bovendien leiden tot de uitkomst dat appellant zonder redelijke grond vanaf 1 september 2013 ook bij zijn nieuwe werkgever op grond van artikel 6:2:3, eerste lid, van de CAR/UWO recht zou hebben op vakantie naar rato van de tijd dat hij zijn betrekking vervult en dus van een dubbel aantal vakantiedagen zou kunnen profiteren. Gelet op de genoemde omstandigheden heeft het college in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot verrekening gebruik mogen maken.


4.5.

Uit wat in 4.1 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en M.T. Boerlage en D.A.C. Slump als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2015.




(getekend) K.J. Kraan




(getekend) M.S. Boomhouwer



HD