Centrale Raad van Beroep, 13-10-2015 / 14/1235 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:3624

Inhoudsindicatie
Intrekken na opschorting na twee keer uitstel. Appellant heeft te laat actie richting zijn bank ondernomen. Verwijtbaar.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-13
Publicatiedatum
2015-10-27
Zaaknummer
14/1235 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/1235 WWB

Datum uitspraak: 13 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 14 januari 2014, 13/7154, 13/7525 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. T. de Heer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juli 2015. Namens appellant is verschenen mr. De Heer. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontving sinds 28 juni 2013 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.


1.2.

Bij brief van 13 augustus 2013 heeft het college appellant verzocht vóór 13 september 2013 alle bankafschriften van zijn spaarrekening en zijn betaalrekening met nummer [rekeningnummer] over de periode van 28 maart 2013 tot 13 augustus 2013 over te leggen. Het college had appellant reeds bij een eerdere brief van 9 juli 2013 verzocht deze gegevens te verstrekken.


1.3.

Bij besluit van 18 september 2013 heeft het college het recht op bijstand van appellant met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB met ingang van 13 september 2013 opgeschort op de grond dat appellant de bij brief van 13 augustus 2013 gevraagde informatie niet heeft verstrekt. Het college heeft appellant in de gelegenheid gesteld om uiterlijk

27 september 2013 het verzuim te herstellen en hem meegedeeld dat indien het verzuim niet tijdig wordt hersteld, de bijstand wordt beëindigd.


1.4.

Bij brief van 25 september 2013 heeft appellant verzocht om uitstel van het inleveren van de gevraagde gegevens omdat het voor hem onmogelijk was deze gegevens binnen de gestelde termijn over te leggen. Naar aanleiding van dit verzoek heeft het college de hersteltermijn telefonisch verlengd tot en met 7 oktober 2013.


1.5.

Bij besluit van 8 oktober 2013 heeft het college met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB de bijstand van appellant met ingang van 13 september 2013 ingetrokken op de grond dat appellant het verzuim niet binnen de daartoe gestelde termijn heeft hersteld.


1.6.

Bij besluit van 20 november 2013 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 18 september 2013 en 8 oktober 2013 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Het hoger beroep richt zich uitsluitend tegen de intrekking van de bijstand.


4.2.

Artikel 54, vierde lid, van de WWB bepaalt dat als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, het college na het verstrijken van die termijn het besluit tot toekenning van bijstand kan intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.


4.3.

Bij de beantwoording van de vraag of het bijstandverlenend orgaan op grond van

artikel 54, vierde lid, van de WWB bevoegd is tot intrekking van de aan een betrokkene verleende bijstand, staat ter beoordeling of de betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Die verwijtbaarheid kan ontbreken indien het gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken die niet van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover de betrokkene niet binnen de gestelde hersteltermijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken.


4.4.

Vaststaat dat appellant niet volledig de door college bij het opschortingsbesluit verlangde, voor de verlening van de bijstand van belang zijnde informatie binnen de daartoe gestelde hersteltermijn heeft verstrekt, hoewel het college er in dat besluit uitdrukkelijk op heeft gewezen dat dit verzuim zal kunnen leiden tot intrekking van de bijstand.


4.5.

Appellant heeft aangevoerd dat hem niet kan worden verweten dat hij de bankafschriften niet binnen de daartoe gestelde termijn heeft overgelegd omdat hij tot een bijzondere doelgroep behoort. Appellant leidt een zwervend bestaan, woont thans in een caravan en beschikt niet over een postadres. Hierdoor kon appellant niet binnen de geboden hersteltermijn beschikken over de gevraagde gegevens. Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit de door de ING op 13 november 2013 opgemaakte contacthistorie per 1 juli 2013 blijkt dat appellant tussen 9 augustus 2013 en 24 september 2013 geen enkele actie richting de ING heeft ondernomen om de gevraagde bankafschriften te verkrijgen. Eerst op 24 september 2013, vlak voor het aflopen van de hersteltermijn op 27 september 2013, heeft appellant een nieuwe bankpas aangevraagd die appellant nodig heeft om in te kunnen loggen en afdrukken te kunnen maken van zijn bankafschriften dan wel om duplicaten van deze bankafschriften op te vragen. Appellant heeft geen afdoende verklaring gegeven voor zijn late handelen. Voorts heeft appellant nagelaten het college opnieuw om een verlenging van de hersteltermijn te vragen op het moment dat het hem duidelijk werd dat hij de gevraagde gegevens niet uiterlijk op 7 oktober 2013 aan het college kon verstrekken. Nu het appellant verweten kan worden dat hij niet binnen de gestelde termijn de voor de verlening van de bijstand van belang zijnde gegevens heeft overgelegd, is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB.


4.6.

De beroepsgrond van appellant dat de voorzieningenrechter van de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de in beroep overgelegde gegevens, slaagt evenmin. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 16 januari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7575) komt in beginsel geen betekenis toe aan gegevens of stukken die tijdens de bezwaarfase of de (hoger) beroepsfase alsnog zijn verstrekt. Van dat uitgangspunt kan worden afgeweken indien appellant aannemelijk maakt dat het gaat om gegevens of stukken die appellant redelijkerwijs niet binnen de gegeven hersteltermijn heeft kunnen verstrekken. In het voorgaande ligt al besloten dat appellant hierin niet is geslaagd.

4.7.

Het college was daarom bevoegd de bijstand van appellant met ingang van 13 september 2013 in te trekken. Wat appellant heeft aangevoerd, levert geen grond op voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft kunnen maken.


4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.



Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2015.




(getekend) E.C.R. Schut




(getekend) J.L. Meijer




HD