Centrale Raad van Beroep, 09-10-2015 / 12-6324 WAJONG


ECLI:NL:CRVB:2015:3629

Inhoudsindicatie
Naar aanleiding van de tussenuitspraak (ECLI:NL:CRVB:2015:1) heeft het Uwv besluit 2 genomen. Met besluit 2 is de aanvraag van appellant zoals die in bezwaar nader is toegelicht, volledig gehonoreerd. Het beroep daartegen moet ongegrond worden verklaard.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-09
Publicatiedatum
2015-10-22
Zaaknummer
12-6324 WAJONG
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

12/6324 WAJONG

Datum uitspraak: 9 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 18 oktober 2012, 12/1461 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.T.C. Rebergen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2014. Appellant is zoals aangekondigd niet verschenen. Namens het Uwv is verschenen mr. W.J. Belder.

Op 14 januari 2015 heeft de Raad een tussenuitspraak gegeven, ECLI:NL:CRVB:2015:1.

Op 24 april 2015 heeft het Uwv de Raad een gewijzigde beslissing op bezwaar van dezelfde datum doen toekomen.

Namens appellant heeft mr. Rebergen daarop gereageerd, waarna het Uwv zijn standpunt nader heeft toegelicht.

Het geding is opnieuw ter zitting behandeld op 28 augustus 2015. Appellant is - met voorafgaand bericht - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.W.A. Blind.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor een uitgebreide weergave van de feiten verwijst de Raad naar zijn tussenuitspraak van 14 januari 2015. Volstaan wordt hier met het volgende.


1.2.

Nadat appellant in het verleden een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) was geweigerd, heeft hij bij aanvraagformulier van 24 mei 2011, door het Uwv ontvangen op 30 mei 2011, opnieuw een aanvraag voor een uitkering op grond van die wet ingediend. Bij besluit van 25 juli 2011 heeft het Uwv hierop afwijzend beslist op de aan artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ontleende grond dat appellant bij zijn aanvraag geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld die tot het oordeel kunnen leiden dat de eerdere weigering van een Wajong-uitkering onjuist was.


1.3.

Tegen het besluit van 25 juli 2011 heeft appellant bezwaar gemaakt. In de bezwaarfase heeft appellant uitdrukkelijk te kennen gegeven dat hij niet met terugwerkende kracht in aanmerking wil worden gebracht voor een uitkering op grond van de Wajong en dat de aanvraag van mei 2011 uitsluitend ziet op de periode na deze aanvraag. Het Uwv heeft het bezwaar van appellant bij besluit van 22 februari 2012 (besluit 1) ongegrond verklaard.


2.1.

De rechtbank heeft het beroep tegen besluit 1 ongegrond verklaard.


3.1.

In de tussenuitspraak heeft de Raad overwogen dat een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering naar zijn strekking moet worden beoordeeld. Verder is uiteengezet op welke wijze dergelijke aanvragen door de aanvrager moeten worden onderbouwd en door het Uwv moeten worden beoordeeld, en hoe de rechter beslissingen van het Uwv op dergelijke aanvragen toetst. Voor het voorliggende geval is vastgesteld dat appellants verzoek om voor de toekomst terug te komen van de eerdere weigering van een Wajong-uitkering onvoldoende is beoordeeld. Het Uwv is opgedragen dit gebrek in besluit 1 te herstellen.


3.2.

Bij de nieuwe beslissing op bezwaar van 24 april 2015 (besluit 2) heeft het Uwv aan appellant met ingang van 30 mei 2011 een Wajong-uitkering toegekend. In haar reactie op dit besluit heeft de gemachtigde van appellant laten weten dat appellant zich onvoldoende bewust is geweest van zijn rechten toen hij stelde dat hij alleen voor de toekomst in aanmerking wilde komen voor een uitkering. De gemachtigde van appellant claimt alsnog een uitkering met terugwerkende kracht.


3.3.

Namens het Uwv is ter zitting naar voren gebracht dat appellants aanvraag uitdrukkelijk alleen zag op de toekomst en dat de omvang van het geding daartoe beperkt is. Slechts hierop zag de opdracht van de Raad in de tussenuitspraak, aldus de gemachtigde van het Uwv.


4.1.

De Raad overweegt als volgt.


4.2.

Nu het Uwv besluit 1 niet langer handhaaft, komt dit besluit voor vernietiging in aanmerking, evenals de aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit in stand is gelaten.


4.3.

Met besluit 2 is blijkens de reactie van de gemachtigde van appellant niet geheel aan het beroep tegemoet gekomen. Dit besluit wordt daarom met toepassing van artikel 6:19 in verbinding met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht in de beoordeling betrokken.


4.4.

Het Uwv heeft terecht gesteld dat appellants aanvraag alleen zag op de toekomst. In de bezwaarfase heeft de toenmalige gemachtigde van appellant uitdrukkelijk gesteld dat er geen uitkering met terugwerkende kracht wordt geclaimd. Dit is in de tussenuitspraak van de Raad vermeld en bij zijn beoordeling is de Raad daarvan ook uitgegaan. Bij die uitspraak is het Uwv de opdracht gegeven deze aanvraag nader te beoordelen aan de hand van de in die uitspraak gegeven beoordelingscriteria.


4.5.

Gezien dit alles moet worden gezegd dat de naar aanleiding van besluit 2 naar voren gebrachte grond dat de uitkering met terugwerkende kracht moet worden toegekend, buiten de omvang van het geding gaat. Die grond kan daarom niet slagen. Met besluit 2 is de aanvraag van appellant zoals die in bezwaar nader is toegelicht, volledig gehonoreerd. Het beroep daartegen moet ongegrond worden verklaard.


5. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 980,- aan kosten voor rechtsbijstand in beroep en € 735,- aan kosten voor rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.715,-.






BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 22 februari 2012;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 24 april 2015 ongegrond;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 157,- vergoedt;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.715,-.



Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en H.J. Simon en

E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2015.




(getekend) M.M. van der Kade




(getekend) V. van Rij




TM