Centrale Raad van Beroep, 15-10-2015 / 14-1425 WMO


ECLI:NL:CRVB:2015:3642

Inhoudsindicatie
De aanvraag van appellant om een woningaanpassing in de vorm van omgevingsbesturing, deuropeners en een plateaulift (voor verplaatsing in de rolstoel van de begane grond naar de nieuwe slaapkamer op de verdieping) is op goede gronden afgewezen. Het rapport van Argonaut van 19 maart 2008 geeft aan dat de ergonomische belemmeringen van appellant kunnen worden weggenomen door het realiseren van een uitbouw op de begane grond als meest adequate oplossing. Bij het realiseren van een dergelijke uitbouw bestaat geen noodzaak voor het aanbrengen van een plateaulift tussen de begane grond en de eerste verdieping van de woning. Appellant heeft weliswaar gesteld dat er gemeentelijke bezwaren waren tegen het realiseren van een uitbouw op de begane grond maar hij heeft geen omgevingsvergunning voor een dergelijke uitbouw aangevraagd, laat staan dat deze is geweigerd. Hij heeft ook anderszins niet aannemelijk gemaakt dat er een feitelijke of planologische belemmering bestond voor het realiseren van een uitbouw op de begane grond. Onder deze omstandigheden rust op het college niet de verplichting de beperkingen van appellant te compenseren die hij heeft bij het zich verplaatsen tussen de begane grond en de eerste verdieping van de woning.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-15
Publicatiedatum
2015-10-22
Zaaknummer
14-1425 WMO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/1425 WMO

Datum uitspraak: 15 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 31 januari 2014, 13/535 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N.J. Brouwer hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. Brouwer heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 september 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Brouwer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door W.G. Savelbergh.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant is vanwege multiple sclerose volledig rolstoelafhankelijk. Hij heeft in december 2007 een aanvraag ingediend voor een voorziening in de vorm van een woningaanpassing, met onder meer een opbouw op de garage met een nieuwe bad- en slaapkamer. Argonaut Advies B.V. (Argonaut) heeft op 19 maart 2008, op verzoek van het college, geadviseerd een bad- en slaapkamer op de begane grond te realiseren als goedkoopst adequate voorziening.


1.2.

Het advies van Argonaut bevat als mogelijk oplossingen voor appellants woonbeperkingen onder meer het volgende:

“- de voordeur voorzien van een intercom (spreek/luisterinstallatie met elektrische deurontgrendeling) (…)

- de volgende deuren voorzien van een automatische deuropener, bediening middels schakelaars

- portaal/slaapkamer

- portaal/achter(terras)deur

- portaal/berging”

De op 18 april 2008 door Argonaut opgestelde Begrotingsstaat komt uit op een bedrag van € 80.026,68 inclusief omzetbelasting en vermeldt een intercom/spreekinstallatie met elektrische deurontgrendeling, deurautomaten en een vierknopshandzender ten behoeve van eventuele uitbreiding.


1.3.

Het college heeft uiteindelijk op 17 januari 2012 voor een te treffen woonvoorziening en ter finale kwijting aan appellant een financiële tegemoetkoming verstrekt van € 85.000. Deze tegemoetkoming heeft het college verstrekt voor de verbouwing van de woning als beschreven in het rapport van Argonaut en kon worden aangewend voor de door appellant gewenste verbouwing. Appellant heeft de woningaanpassing gerealiseerd op de eerste verdieping.


1.4.

Appellant heeft in april 2012 een nieuwe aanvraag gedaan. A. Bouvrie (GGD Zuid Limburg) heeft een huisbezoek afgelegd bij appellant. In haar rapport van 5 september 2012 vermeldt zij dat het aanbrengen van elektrische deuropeners voldoende is om de toegankelijkheid van en in de woning te realiseren. Het college heeft de (nieuwe) aanvraag van appellant van 12 april 2012 om een woningaanpassing in de vorm van omgevingsbesturing, deuropeners en een plateaulift (voor verplaatsing in de rolstoel van de begane grond naar de nieuwe slaapkamer op de verdieping) afgewezen. Bij besluit van

5 februari 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 12 april 2012 ongegrond verklaard.


1.5.

Drs. Vonken en mevrouw Arpots, revalidatiearts respectievelijk ergotherapeut, hebben in een rapport van 27 februari 2014 verklaard dat de beenfunctie rechts van appellant fors is verslechterd en dat hetzelfde geldt voor de arm- en handfunctie rechts.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat een verbouwing op de begane grond toereikend is ter compensatie van de beperkingen van appellant en dat in dat geval een plateaulift niet nodig is. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat een omgevingsbesturing met een geïntegreerde afstandsbediening voor het bedienen van lichtknoppen en de zonneschermen niet nodig zijn ter compensatie van de zelfredzaamheid van appellant.


3.1.

Appellant heeft in hoger beroep gesteld dat hij de woningaanpassing op advies van de gemeentelijke afdeling bouw- en woningtoezicht niet conform het advies van Argonaut op de begane grond heeft gerealiseerd maar op de bovenverdieping. Het aanbrengen van een plateaulift tussen de verdiepingen is daarom noodzakelijk geworden. Daarnaast heeft hij gesteld dat de toegenomen beperkingen het noodzakelijk maken te voorzien in een verdergaand systeem van omgevingsbesturing dan wat Argonaut in het rapport van 19 maart 2008 had omschreven. Ter zitting heeft hij nog verklaard dat het ook zijn voorkeur had om de woningaanpassing op de verdieping te realiseren en dat de kosten voor het aanbrengen van een deuropener voor de terrasdeur niet afzonderlijk zijn af te splitsen.


3.2.

Het college heeft ter zitting verklaard dat hem niet bekend is dat de door Argonaut geadviseerde uitbouw op de begane grond niet gerealiseerd zou mogen worden en dat geen aanvraag voor een dergelijke uitbouw is ingediend.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.1.

Artikel 4, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning bepaalde het volgende:

Ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4, 5 en 6, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, treft het college van burgemeester en wethouders voorzieningen op het gebied van de maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen:

(…)

b. zich te verplaatsen in en om de woning; (…)


4.1.2.

Artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Verordening individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Heerlen 2011 bepaalt dat een voorziening slechts kan worden toegekend voor zover deze langdurig noodzakelijk is en naar objectieve maatstaven, als de goedkoopst adequate voorziening kan worden aangemerkt. Het tweede lid bepaalt dat geen voorziening wordt toegekend indien een voorziening als die waarop de aanvraag betrekking heeft reeds eerder krachtens deze verordening is verstrekt.


4.2.

Het rapport van Argonaut van 19 maart 2008 geeft aan dat de ergonomische belemmeringen van appellant kunnen worden weggenomen door het realiseren van een uitbouw op de begane grond als meest adequate oplossing. Bij het realiseren van een dergelijke uitbouw bestaat geen noodzaak voor het aanbrengen van een plateaulift tussen de begane grond en de eerste verdieping van de woning. Appellant heeft weliswaar gesteld dat er gemeentelijke bezwaren waren tegen het realiseren van een uitbouw op de begane grond maar hij heeft geen omgevingsvergunning voor een dergelijke uitbouw aangevraagd, laat staan dat deze is geweigerd. Hij heeft ook anderszins niet aannemelijk gemaakt dat er een feitelijke of planologische belemmering bestond voor het realiseren van een uitbouw op de begane grond. Onder deze omstandigheden rust op het college niet de verplichting de beperkingen van appellant te compenseren die hij heeft bij het zich verplaatsen tussen de begane grond en de eerste verdieping van de woning.


4.3.1.

Het genoemde rapport van Argonaut maakt melding van de noodzaak tot het aanbrengen van automatische deuropeners (inclusief bediening), waaronder een deuropener tussen het portaal en het terras. Zoals blijkt uit het rapport en de begrotingsstaat heeft het college voor het aanbrengen van deze deuropeners reeds op 17 januari 2012 een voorziening geboden zodat een nadere toekenning is uitgesloten.


4.3.2.

Appellant heeft onder verwijzing naar de onder 1.5 genoemde verklaring van

27 februari 2014 nog gesteld dat zijn beperkingen zijn toegenomen. Hij heeft met deze verklaring echter niet aannemelijk gemaakt dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit reeds de noodzaak bestond andere woningaanpassingen aan te brengen dan reeds waren voorzien in het rapport van Argonaut van 19 maart 2008.


5. Gelet op wat onder 4.2 en 4.3 is overwogen, ziet de Raad geen reden de uitspraak van de rechtbank te vernietigen.








BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en J.P.A. Boersma en R.P.T. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2015.




(getekend) A.J. Schaap




(getekend) V. van Rij




AP