Centrale Raad van Beroep, 22-10-2015 / 14-6769 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:3672

Inhoudsindicatie
Uit de beoordeling komt overtuigend naar voren dat het functioneren van appellant op het gebied van samenwerking, empowered en aanpassingsvermogen als onvoldoende was aan te merken en een negatief effect had op de resultaten en het functioneren van het team waarin hij werkzaam was. Van een onzorgvuldige behandeling van het bezwaar door de bezwaarschriftencommissie is niet gebleken. Dat appellant door de gezondheidstoestand onvoldoende heeft kunnen functioneren, kan dit niet leiden tot het oordeel dat de beoordeling op onvoldoende gronden berust.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-22
Publicatiedatum
2015-10-23
Zaaknummer
14-6769 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/6769 AW

Datum uitspraak: 22 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 oktober 2014, 14/1442 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Breda (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 september 2015. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. Nanne,

ir. C.A.G. Garritsen en A.V. van Kerckhoven.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam bij de gemeente Breda als [naam functie A]. Op 1 juni 2011,

9 mei 2012, 12 november 2012 en op 12 december 2012 hebben er voortgangsgesprekken plaatsgevonden tussen appellant en zijn leidinggevende. Op 18 februari 2013 heeft er een beoordelingsgesprek plaatsgevonden.

1.2.

Op 9 april 2013 is de beoordeling van appellant vastgesteld met als eindresultaat “slecht”. In een brief van 12 april 2013 heeft het college een toelichting gegeven op de vastgestelde beoordeling. De competenties samenwerking, aanpassingsvermogen, inzet en empowered zijn als slecht beoordeeld. De situatie in het team is volgens het college onwerkbaar geworden. Het is voor de leidinggevende van appellant niet mogelijk hem te helpen, omdat appellant te kennen geeft dat er niets aan de hand is en dat het niet aan hem ligt.


1.3.

Bij besluit van 23 januari 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen de vastgestelde beoordeling ongegrond verklaard. Daaraan ligt onder meer ten grondslag dat de werkwijze van het college bij de verslaglegging van de voortgangsgesprekken niet onbehoorlijk of in strijd met het goed werkgeverschap is. De weging van de totaalbeoordeling is geen kwestie van een optelsom van de verschillende onderdelen van de beoordeling omdat aan bepaalde scores een zwaarder gewicht kan worden toegekend dan aan andere. Het geheel van de scores en de toelichting daarop kan de totaalbeoordeling dragen, aldus het college.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover dat ziet op de kosten in bezwaar, die kosten vastgesteld op € 974,- en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit. De na bezwaar gehandhaafde beoordeling berustte volgens de rechtbank niet op onvoldoende gronden.


3. In hoger beroep heeft appellant dit laatste oordeel op de hierna te bespreken gronden bestreden.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Volgens vaste rechtspraak (zie de uitspraak van 13 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:905) is de toetsing van de inhoud van een beoordeling beperkt tot de vraag of gezegd moet worden dat die beoordeling op onvoldoende gronden berust. Bij negatieve oordelen moet het betrokken bestuursorgaan met concrete feiten onderbouwen dat dat oordeel niet op onvoldoende gronden berust. Niet doorslaggevend is dan of ieder feit juist is vastgesteld of geduid, het gaat erom of het totale beeld van de beoordeling deze toetsing doorstaat.


4.2.

Appellant heeft in de eerste plaats aangevoerd dat de stukken die ten grondslag liggen aan de beoordeling zijn gemanipuleerd. Uit zijn dossier zou blijken dat niet elke versie van de verslagen van de voortgangsgesprekken door appellant is ondertekend. Volgens appellant hebben niet alle voortgangsgesprekken daadwerkelijk plaatsgevonden. Deze beroepsgrond faalt. Het college maakt gebruik van een beoordelingssystematiek waarbij de verslagen van meerdere gesprekken na ieder gesprek in één digitaal document worden opgenomen. De verslagen worden ook los van elkaar in het dossier opgenomen. Aan het einde van een cyclus van jaargesprekken wordt het document uitgeprint en wordt de ambtenaar verzocht de beoordeling te ondertekenen. Deze werkwijze is niet onbehoorlijk of in strijd met het goed werkgeverschap. Dat appellant niet alle gespreksverslagen heeft ondertekend, maakt niet dat de gesprekken niet hebben plaatsgevonden dan wel dat de verslaglegging onjuist is. De manier waarop de beoordeling tot stand is gekomen en het gegeven dat ook aandacht is besteed aan positieve aspecten van het functioneren maken een niet objectieve opstelling van de beoordelaar niet aannemelijk. Appellant heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat sprake zou zijn van manipulatie of ongelijke behandeling ten opzichte van andere medewerkers, racisme of benadeling.


4.3.

De Raad is met de rechtbank en anders dan appellant van oordeel dat de bij de verschillende subonderdelen opgenomen toelichtingen de toegekende scores kunnen dragen. De beoordelingen op het gebied van de competenties samenwerking, aanpassingsvermogen, inzet en empowered zijn met voorbeelden en een toelichting onderbouwd. De gedingstukken, waaronder e-mailcorrespondentie tussen appellant en zijn leidinggevende, ondersteunen het totale beeld van de beoordeling op het gebied van samenwerking, empowered en aanpassingsvermogen. Uit de beoordeling komt overtuigend naar voren dat het functioneren van appellant op die onderdelen als onvoldoende was aan te merken en een negatief effect had op de resultaten en het functioneren van het team waarin hij werkzaam was.


4.4.

Van een onzorgvuldige behandeling van het bezwaar door de bezwaarschriftencommissie is niet gebleken. Het uitdelen en voordragen van een pleitnotitie tijdens de hoorzitting is niet ongebruikelijk. Voor zover appellant stelt dat hij moeite had met het begrijpen van de pleitnotitie door een gebrekkige kennis van de Nederlandse taal, overweegt de Raad dat de gemachtigde van appellant aanwezig was tijdens de hoorzitting en dat zij namens hem het woord heeft gedaan. Dat appellant, zoals hij heeft gesteld, nadeel heeft ondervonden van de wisseling van zijn gemachtigden, komt voor rekening en risico van appellant zelf. Voor het geval de nieuwe gemachtigde van appellant in de beroepsfase onvoldoende tijd had om kennis te nemen van het dossier, had het op de weg van appellant of zijn gemachtigde gelegen om uitstel te verzoeken.


4.5.

Appellant heeft verder aangevoerd dat hij door een conflict op het werk ziek is geworden. Voor zover hij daarmee bedoelt dat hij door zijn gezondheidstoestand onvoldoende heeft kunnen functioneren, kan dit niet leiden tot het oordeel dat de beoordeling op onvoldoende gronden berust. Naar vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 18 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO5102) kan de gezondheidssituatie van een betrokkene bij het opmaken van een beoordeling niet leiden tot hogere scores dan op grond van het feitelijk functioneren gerechtvaardigd is, maar wel van invloed zijn op de aan de beoordeling te verbinden rechtspositionele gevolgen.


4.6.

Wat appellant voor het overige heeft aangevoerd, heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen.


4.7.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Het verzoek om veroordeling van het college tot vergoeding van schade zal worden afgewezen nu daarvoor geen grondslag bestaat.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.



Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.N.A. Bootsma en A.M. van der Leeden als leden, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2015.




(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans




(getekend) C.M. Fleuren.




HD