Centrale Raad van Beroep, 12-10-2015 / 14/4699 AW-W


ECLI:NL:CRVB:2015:3676

Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek om wraking. Op geen enkele wijze blijkt dat de rechters met hun voorlopige beslissing over het horen van de getuige op het oordeel in de einduitspraak vooruit zijn gelopen en evenmin komt op andere wijze vooringenomenheid van mr. Bangma en mr. Bootsma naar voren.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-12
Publicatiedatum
2015-10-23
Zaaknummer
14/4699 AW-W
Procedure
Wraking
Rechtsgebied
Bestuursrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/4699 AW-W

Datum uitspraak: 12 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Beslissing op het verzoek om wraking gedaan door

[Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

11 juli 2014, 13/1499, in het geding tussen verzoeker en de korpschef van politie.

Bij brief van 16 juni 2015 is verzoeker geïnformeerd dat zijn hoger beroep op 9 juli 2015 ter zitting zal worden behandeld en is hij uitgenodigd daarbij aanwezig te zijn.

In reactie op deze uitnodiging heeft verzoeker de Raad bij brief van 24 juni 2015 bericht dat [naam getuige A] ([getuige A]) als getuige is opgeroepen. Een kopie van het deurwaardersexploit waarbij [getuige A] is opgeroepen is bijgevoegd. [getuige A] is niet ter zitting verschenen.

Tijdens de zitting op 9 juli 2015 heeft verzoeker mr. C.H. Bangma en mr. J.N.A. Bootsma gewraakt.

De gewraakte rechters zijn in de gelegenheid gesteld op het verzoek om wraking te reageren. Zij hebben beiden van die gelegenheid gebruikt gemaakt, respectievelijk bij brief van 21 juli 2015 en bij brief van 25 augustus 2015. Zij hebben daarbij meegedeeld niet in de wraking te berusten.

Verzoeker, mr. Bangma en mr. Bootsma zijn voorts in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van de Raad op 28 september 2015. De gewraakte rechters hebben te kennen gegeven van deze gelegenheid geen gebruik te zullen maken. Verzoeker is wel ter zitting verschenen, bijgestaan door mr. S.C. van Paridon, advocaat.

OVERWEGINGEN


1. Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.


2. Verzoeker heeft aan het verzoek om wraking van mr. Bangma en mr. Bootsma ten grondslag gelegd dat in het hogerberoepschrift uitvoerig is onderbouwd waarom [getuige A] als getuige zou moeten worden gehoord. De beslissing van de Raad om op dit moment van het horen van deze getuige af te zien, is volgens verzoeker gelet daarop, bezien in het licht van het feitelijk verhandelde, de wet en de rechtspraak, onbegrijpelijk. Verzoeker heeft zich daarom genoodzaakt gezien, zoals hij zelf stelt omwille van de waarheidsvinding en om verlies van instantie te voorkomen, een verzoek om wraking in te dienen.


3.1.

De beslissing om van het horen van een getuige - vooralsnog - af te zien is een procedurele beslissing, die is gebaseerd op de in artikel 8:63, tweede lid, van de Awb gegeven bevoegdheid. Het is aan de bestuursrechter om te beoordelen of het horen van een getuige redelijkerwijs kan bijdragen de beoordeling van een aan hem voorgelegde zaak. Uit vaste rechtspraak, zoals blijkend uit bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 13 mei 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD1372, en 8 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1537, volgt dat beslissingen omtrent het niet horen van een getuige moeten worden gemotiveerd.

3.2.

Naar vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 17 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:300, en 21 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA0580) is wraking niet bedoeld als rechtsmiddel tegen procedurele beslissingen en kunnen deze beslissingen slechts leiden tot toewijzing van een wrakingsverzoek als uit de procedurele beslissing blijkt van vooringenomenheid van de rechters die deze beslissing hebben genomen.


3.3.1.

Het hoger beroep van verzoeker heeft inhoudelijk betrekking op de waardering van zijn functie. Daarbij heeft verzoeker ook de (organieke) functiebeschrijving betrokken. De getuige die door hem is opgeroepen zou, zo is naar voren gekomen, met name kunnen verklaren over die functiebeschrijving. Niet op voorhand kan, gelet ook op het toepasselijke procesrecht, eenvoudig worden vastgesteld of die functiebeschrijving in deze hogerberoepsprocedure ter discussie kan staan. Blijkens het proces-verbaal dat van de zitting is opgemaakt, is dit verzoeker ter zitting voorgehouden.


3.3.2.

Ter zitting in het kader van de behandeling van het hoger beroep is ook, na overleg in de raadkamer, gemotiveerd waarom de Raad in het licht van wat is overwogen in 3.3.1 - vooralsnog - van het horen van de getuige heeft afgezien. Uit het proces-verbaal kan worden afgeleid dat is meegedeeld dat in de raadkamer na de zitting definitief over het verzoek om [getuige A] te horen zal worden beslist. Verder kan uit het proces-verbaal worden afgeleid dat de behandelend rechters, indien zou worden beslist dat de getuige niet door de Raad wordt gehoord, zich rekenschap hebben gegeven van de verplichting dat in de uitspraak te motiveren. Tot slot kan uit het proces-verbaal worden opgemaakt dat aan partijen is voorgehouden - zij het in andere bewoordingen - dat de Raad de bevoegdheid heeft om het onderzoek te heropenen indien hij na sluiting van de behandeling van de zaak ter zitting tot het oordeel zou komen dat het horen van [getuige A] kan bijdragen aan de beoordeling van verzoekers zaak. Op geen enkele wijze blijkt dat de rechters met hun voorlopige beslissing over het horen van de getuige op het oordeel in de einduitspraak vooruit zijn gelopen en evenmin komt op andere wijze vooringenomenheid van mr. Bangma en mr. Bootsma naar voren. Het verzoek moet daarom worden afgewezen.


4. Nu het verzoek wordt afgewezen is voor een veroordeling in de proceskosten geen aanleiding.


















BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om wraking van mr. J.N.A Bootsma en

mr. C.H. Bangma af.



Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en W.H. Bel en R.E. Bakker als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2015.




(getekend) J.P.M. Zeijen




(getekend) W.de Braal



UM