Centrale Raad van Beroep, 09-10-2015 / 12/6392 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:3680

Inhoudsindicatie
1) Ongewijzigde vaststelling WIA-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. 2) Weigering IVA-uitkering. Geen sprake van duurzame arbeidsongeschiktheid. De klachten van appellant zijn niet onderschat. Geen grond om meer beperkingen aan te nemen in de FML.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-09
Publicatiedatum
2015-10-26
Zaaknummer
12/6392 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

12/6392 WIA, 14/707 WIA

Datum uitspraak: 9 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraken van de rechtbank Roermond van 22 oktober 2012, 12/692 (aangevallen uitspraak I) en 19 december 2013, 13/305 (aangevallen uitspraak II)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.A.N.H. Verkoeijen, advocaat, tegen beide uitspraken hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Namens appellant heeft mr. Verkoeijen nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2015. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Verkoeijen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Het Uwv heeft appellant met ingang van 16 december 2008 in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 55,9%.


1.2.

Op 14 maart 2011 heeft appellant aan het Uwv doorgegeven dat zijn gezondheid is verslechterd. Bij besluit van 29 november 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat de arbeidsongeschiktheid van appellant niet is gewijzigd. Aan dit besluit ligt een rapport van de verzekeringsarts van 3 november 2011 en een rapport van de arbeidsdeskundige van 21 november 2011 ten grondslag.


1.3.

Bij besluit van 12 april 2012 (bestreden besluit I) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 november 2011 ongegrond verklaard.


1.4.

Tijdens de bezwaarfase heeft appellant op 30 november 2011 opnieuw gemeld dat zijn gezondheidstoestand is verslechterd. Op het wijzigingsformulier heeft hij aangegeven dat hij chronisch ziek is en meer hulp of ondersteuning nodig heeft. Appellant ontvangt dan inmiddels een WGA-vervolguitkering.


1.5.

Volgens het Uwv kan appellant vanwege zijn gezondheid inderdaad minder verdienen dan voorheen. Bij besluit van 1 mei 2012 heeft het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage van appellant per 28 november 2011 vastgesteld op 65 tot 80%. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst het Uwv naar het rapport van de verzekeringsarts van 17 april 2012 en het rapport van de arbeidsdeskundige van 1 mei 2012.


1.6.

Bij besluit van 17 december 2012 (bestreden besluit II) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 mei 2012 gegrond verklaard. Appellant wordt per 28 november 2011 80 tot 100% arbeidsongeschikt geacht. Aan dit besluit liggen de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 11 december 2012 en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 12 december 2012 ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen aanleiding gezien af te wijken van het oordeel van de primaire verzekeringsarts. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft echter geconcludeerd dat er aanleiding is de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid te wijzigen naar 80 tot 100%. Volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep vallen twee van de geduide functies af omdat daarbij wordt gevraagd om enkele jaren voortgezet onderwijs of een VMBO niveau. Hiervan is bij appellant geen sprake. Omdat slechts één van de geduide functies overblijft en er geen nieuwe functies te duiden zijn, is het theoretische verdienvermogen nihil, aldus de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.


1.7.

Appellant heeft tegen beide bestreden besluiten beroep ingesteld.

2.1.

Bij uitspraak van 22 oktober 2012 (aangevallen uitspraak I) is het beroep van appellant tegen het bestreden besluit I ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, in overeenstemming is met de eisen van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten en de overige daaraan te stellen zorgvuldigheidseisen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zijn standpunt voldoende gemotiveerd. Appellant heeft in beroep geen nadere medische informatie overgelegd waaruit zou kunnen blijken dat meer beperkingen hadden moeten worden aangenomen dan die in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) zijn vermeld. De rechtbank heeft voorts geen aanwijzing dat de klachten van appellant zijn onderschat of dat de informatie van de behandelend sector in de omschrijving van de medische beperkingen en mogelijkheden onjuist zou zijn uitgelegd. In de rapporten van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 28 januari 2012 en 6 april 2012 is naar het oordeel van de rechtbank gemotiveerd waarom appellant voor de geduide functies in aanmerking komt. De belasting in de geduide functies valt binnen de vastgestelde belastbaarheid. De rechtbank is van oordeel dat de in het dossier aanwezige gegevens de conclusie kunnen dragen dat appellant in medisch opzicht in staat is tot het vervullen van de genoemde functies.


2.2.

Bij uitspraak van 19 december 2013 (aangevallen uitspraak II) is het beroep van appellant tegen het bestreden besluit II ongegrond verklaard. De rechtbank volgt het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat op grond van de beschikbare medische gegevens mocht worden gesteld dat geen sprake was van een wezenlijk verschil ten aanzien van de duurzaamheid ten opzichte van de eerdere classificatie. Omdat appellant geheel arbeidsongeschikt is verklaard, wordt niet langer druk op hem uitgeoefend om voldoende activiteiten te ontplooien richting werk. Het Uwv mocht er volgens de rechtbank van uitgaan dat een verdere afname van de onvolledig in remissie zijnde depressie geïndiceerd was. Daardoor zou een toename van mogelijkheden voorhanden zijn en is geen sprake van een duurzame toestand van de arbeidsbeperkingen van appellant. De rechtbank acht in dit kader verder van belang dat appellant eerder met behulp van medicatie in een betere stemming was gekomen en dat niet valt in te zien waarom deze verbetering niet kan doorzetten. Voorts is aan de medische gegevens niet te ontlenen dat er geen behandelmogelijkheden meer zijn. Er is zodoende geen aanleiding om de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat geen sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid in twijfel te trekken. Appellant is naar het oordeel van de rechtbank terecht niet voor een IVA-uitkering in aanmerking gebracht.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraken gekeerd. Kort samengevat heeft hij zich op het standpunt gesteld dat zijn klachten zijn onderschat en dat meer beperkingen hadden moeten worden aangenomen. Ter zitting heeft gemachtigde van appellant desgevraagd bevestigd dat appellant zich op het standpunt stelt dat hij in medische zin niet geschikt is de geduide functies te verrichten en dat de geschiktheid van de functies in arbeidskundige zin geen verdere bespreking behoeft. Tegen aangevallen uitspraak I heeft appellant aangevoerd dat het verrichten van arbeid een negatieve invloed zal hebben op zijn medische situatie. Hij acht zich volledig arbeidsongeschikt. Tegen aangevallen uitspraak II heeft appellant aangevoerd dat hij niet alleen volledig, maar ook duurzaam arbeidsongeschikt is. Zijn klachten zijn chronisch en al geruime tijd aanwezig. Volgens appellant gaat het Uwv er ten onrechte van uit dat het volledig toekennen van de uitkering zal leiden tot afname van zijn ziekte. Hij stelt dat er geen verbetering te verwachten is. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant in hoger beroep nog nadere medische stukken overgelegd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De gronden die appellant in hoger beroep tegen aangevallen uitspraak I heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft die beroepsgronden afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat de betreffende gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel ten grondslag liggen worden door de Raad onderschreven.


4.2.

Naar aanleiding van de medische informatie die appellant in hoger beroep heeft overgelegd, overweegt de Raad nog dat deze geen aanleiding geeft voor een ander oordeel. In zijn rapport van 15 december 2014 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aangegeven dat deze stukken kunnen worden beschouwd als onderbouwing van het eerder ingenomen standpunt. De beenklachten van appellant spelen niet meer en de depressie is in 2014 weer in remissie. De Raad ziet in deze stukken zodoende geen aanleiding aan te nemen dat de klachten van appellant zijn onderschat of dat het Uwv op de datum in geding ten onrechte geen volledige arbeidsongeschiktheid heeft aangenomen.


4.3.

Ook de gronden die appellant heeft aangevoerd tegen de aangevallen uitspraak II treffen geen doel. In geschil is of de volledige arbeidsongeschiktheid van appellant moet worden geacht duurzaam te zijn, zodat hij ingevolge artikel 47 van de Wet WIA recht heeft op een IVA-uitkering.


4.4.

Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA, hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Ingevolge het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.


4.5.

In de uitspraak van 4 februari 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896) heeft de Raad overwogen dat blijkens de wetsgeschiedenis de verzekeringsarts zich een oordeel dient te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid waarbij hij een inschatting dient te maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de betrokken verzekerde. Bij de vraag of er sprake is van duurzaamheid gaat het om een inschatting van de toekomstige ontwikkelingen van de arbeidsbeperkingen. Dit brengt mee dat de inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar en daarna dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betreffende individuele verzekerde aan de orde zijn. In het geval de inschatting van de kans op herstel berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.

4.6.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant bij het bestreden besluit terecht niet in aanmerking is gebracht voor een IVA-uitkering, omdat hij op de datum in geding weliswaar volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt was. In dit kader wordt overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 12 december 2012 heeft beoordeeld of naast volledige arbeidsongeschiktheid ook sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid. Hij heeft aan de hand van het “beoordelingskader duurzaamheid arbeidsbeperkingen” (beoordelingskader) uiteengezet dat verbetering van de belastbaarheid niet is uitgesloten. Daarbij wijst hij onder meer op het standpunt van de psychiater van appellant. Die heeft in zijn brief van 9 februari 2012 opgemerkt dat appellant door de tijd heen met behulp van medicatie in een betere stemming is gekomen. De door het Uwv uitgeoefende druk richting zoeken naar werk leidt echter tot een toename van de klachten van appellant. Hierdoor glijdt hij af in een recidief depressie. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep impliceert de opmerking van de psychiater dat herstel mogelijk is als deze druk wegvalt. De Raad acht dit standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat appellant niet duurzaam arbeidsongeschikt is, voldoende onderbouwd op dit punt. Net als de rechtbank acht de Raad daarbij van belang dat appellant eerder met behulp van medicatie in een betere stemming is gekomen en dat uit de in hoger beroep overgelegde stukken blijkt dat de depressie in 2014 weer in remissie is.


4.7.

Voorts overweegt de Raad dat, zoals de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 12 december 2012 uiteen heeft gezet, er ten aanzien van de fysieke problematiek evenmin sprake is van een progressief of stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep stelt dat de diabetes, hypertensie en rugklachten niet zodanig progressief met ernstig invaliderende complicaties, of aan het eind van hun behandelmogelijkheden zijn gebleken, dat er daardoor geen verbetering van de belastbaarheid mogelijk is. De verwachting van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is dat met het inzetten van een multidisciplinair traject in de komende maanden tot een jaar een redelijke tot goede verbetering van de belastbaarheid zal optreden. Appellant heeft geen medische informatie overgelegd waaruit volgt dat deze prognose van de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet deugdelijk is. De in hoger beroep overgelegde stukken bieden daartoe onvoldoende aanknopingspunten. Deze stukken geven geen informatie over de medische situatie van appellant per datum in geding. Met de verzekeringsarts bezwaar en beroep ziet de Raad in deze informatie bovendien een bevestiging dat enige verbetering van zijn gezondheidstoestand is ingetreden. In een brief van 28 oktober 2011 meldt de anesthesioloog dat er een verlichting is van de pijnklachten en in een brief van 7 augustus 2012 meldt deze dat er geen beenklachten meer zijn.


4.8.

De in hoger beroep overgelegde medische informatie geeft voorts geen aanleiding aan te nemen dat de klachten van appellant per 28 november 2011 zijn onderschat. De grond dat meer beperkingen hadden moeten worden aangenomen in de FML, slaagt zodoende niet.


4.9.

Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.8 is overwogen, volgt dat de hoger beroepen niet slagen. De aangevallen uitspraken zullen worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.



Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en E.E.V. Lenos en J. Smeets als leden, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2015.




(getekend) M.M. van der Kade




(getekend) V. van Rij




NW