Centrale Raad van Beroep, 09-10-2015 / 14/3007 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:3684

Inhoudsindicatie
Herziening WIA-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. Onvoldoende reden om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsarts.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-09
Publicatiedatum
2015-10-26
Zaaknummer
14/3007 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak


14 3007 WIA

Datum uitspraak: 9 oktober 2015


Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 april 2014, 13/4973 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


[Appellant] te [woonplaats] (appellant)


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)



PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.J. Ouderdorp, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingebracht.


Het Uwv heeft een verweerschrift en twee aanvullingen daarop ingediend en een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ingebracht.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Ouderdorp. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

F.M.J. Eijmael.



OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant is met ingang van 26 januari 2009 in aanmerking gebracht voor een

WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).


1.2.

Per 26 maart 2011 is appellant, in aansluiting op de loongerelateerde WGA-uitkering, in aanmerking gebracht voor een WGA-loonaanvullingsuitkering. De mate van arbeidsongeschiktheid is na een beroepsprocedure bij beslissing op bezwaar van 14 februari 2012 met terugwerkende kracht ongewijzigd vastgesteld op 80-100%.


1.3.

Bij primair besluit van 14 februari 2012 is, na medisch en arbeidskundig onderzoek, aan appellant meegedeeld dat hij geschikt wordt geacht voor gangbare arbeid. Het verlies aan verdiencapaciteit is vastgesteld op 39,47%. Het bezwaar tegen dit besluit is ongegrond verklaard bij besluit van 17 juli 2012. Het beroep tegen het besluit van 17 juli 2012 is bij uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 oktober 2013 (12/2556) gegrond verklaard, met vernietiging van het besluit van 17 juli 2012 en bepaling dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Appellant heeft berust in deze uitspraak.


1.4.

Bij brief van 28 november 2011 heeft appellant zich toegenomen arbeidsongeschikt gemeld.


1.5.

Bij besluit van 19 februari 2013 is aan appellant meegedeeld dat zijn loonaanvullingsuitkering ongewijzigd wordt voortgezet. Per 1 maart 2014 zal de uitkering van appellant, tot dan toe gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 100%, zijn gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 39%. Tevens bevat het besluit de mededelingen aan appellant dat de hoogte van zijn loonaanvullingsuitkering de komende

24 maanden niet zal veranderen en dat de inkomenseis zal gelden vanaf 1 maart 2014, dat is 24 maanden na de maand waarin de arbeidsongeschiktheid van appellant is gewijzigd.


1.6.

Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 19 februari 2013 is met inachtneming van het advies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ongegrond verklaard bij besluit van 25 juli 2013 (bestreden besluit). Het Uwv overweegt hiertoe dat met het besluit van

19 februari 2013 is vastgesteld dat de arbeidsongeschiktheid van appellant ongewijzigd 39% bedraagt en dat de hoogte van zijn loonaanvullingsuitkering niet verandert. Vanaf 1 maart 2014 zal de uitkering van appellant veranderen en gebaseerd zijn op een mate van arbeidsongeschiktheid van 39%. Het gebrekkig vooronderzoek is hersteld met het onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De belastbaarheid van appellant is niet gewijzigd. Er is voorts geen sprake van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel, omdat in het besluit van 14 februari 2012 en de beslissing op bezwaar van 17 juli 2012 uitvoerig aan appellant is toegelicht en gemotiveerd dat appellant op en na

14 februari 2012 geschikt te achten is voor passende werkzaamheden waarmee het verlies aan verdiencapaciteit 39,47% bedraagt.


2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat zij het oordeel, geformuleerd in de uitspraak van de rechtbank van 24 oktober 2013, overneemt dat het besluit van 19 februari 2013 geen besluit tot herziening van het primaire besluit van

14 februari 2012. Verder heeft zij overwogen dat het Uwv met het bestreden besluit niet heeft beoogd het primaire besluit van 19 februari 2013 wegens onrechtmatigheid te herroepen, maar slechts de daaraan klevende gebreken heeft hersteld. De rechtbank heeft ten slotte overwogen

dat zij geen aanleiding heeft het medisch onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onzorgvuldig te achten.


3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het besluit van 19 februari 2013 geen herroeping is van het besluit van 14 februari 2012 en dat de rechtbank zich daarbij ten onrechte heeft beroepen op de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 oktober 2013. Verder had de aanvang van de periode van 24 maanden als bedoeld in artikel 60, derde lid, van de Wet WIA aan appellant aangezegd moeten worden. Voorts is het medisch onderzoek onzorgvuldig en zijn de beperkingen van appellant niet juist vastgesteld.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De grond dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak ten onrechte tot uitgangspunt neemt hetgeen in de onder 1.3 genoemde uitspraak van de rechtbank van 24 oktober 2013 is overwogen over het besluit van 19 februari 2013, slaagt niet. In haar uitspraak van 24 oktober 2013 heeft de rechtbank de vraag moeten beantwoorden of zij bij de beoordeling van het daar voorliggende besluit van 17 juli 2012, op grond van het artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht, tevens zou moeten betrekken het besluit van 19 februari 2013. De rechtbank heeft die vraag negatief beantwoord. Indien appellant van mening is dat de rechtbank in de uitspraak van 24 oktober 2013 buiten de omvang van het geding is getreden, had hij tegen die uitspraak het rechtsmiddel van hoger beroep moeten aanwenden. De uitspraak van de rechtbank van 24 oktober 2013 staat nu in rechte vast en ligt niet ter beoordeling voor in dit geding. Ook voor de Raad is het uitgangspunt dat het besluit van 19 februari 2013 is genomen naar aanleiding van de melding toegenomen arbeidsongeschiktheid van 28 november 2012 en dat met dit besluit geen sprake is van een verbetering van of aanvulling op het primaire besluit van 14 februari 2012.


4.2.

Wat hiervoor onder 4.1 is overwogen, brengt mee dat er geen wijziging is gekomen in de situatie dat met het primaire besluit van 14 februari 2012, waarbij is vastgesteld dat de resterende verdiencapaciteit van appellant hoger is dan 20% van zijn maatmanloon, de periode van 24 maanden, genoemd in artikel 60, derde lid, van de Wet WIA, van rechtswege een aanvang heeft genomen. De stelling van appellant dat hij van de aanvang van deze periode afzonderlijk op de hoogte gebracht had moeten worden vindt geen grondslag in de wet.

4.3.

Appellant kan evenmin gevolgd worden in zijn stelling dat het achterwege blijven van een medisch onderzoek bij de primaire besluitvorming tot een gegrondverklaring van het bezwaar had dienen te leiden. De rechtbank kan gevolgd worden in haar overweging dat het Uwv met het bestreden besluit het primaire besluit niet heeft herroepen maar slechts de aan dat besluit klevende gebreken heeft hersteld. Voor gegrond verklaren van het bezwaar bestond dan ook geen aanleiding.


4.4.

Met de rechtbank is de Raad ten slotte van oordeel dat er geen aanleiding is het medisch onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep onzorgvuldig te achten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het medisch dossier van appellant bestudeerd, is aanwezig geweest bij de hoorzitting en heeft de beschikking gehad over relevante informatie van de behandelend sector. Er is onvoldoende reden om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep neergelegd in het rapport van 18 juli 2013. Appellant heeft geen nieuwe medische gegevens ingebracht die zijn betoog onderbouwen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het nader rapport van 27 juli 2015 de door appellant in hoger beroep ingebrachte gronden op inzichtelijke wijze besproken en geconcludeerd dat nog steeds geen aanleiding bestaat om af te wijken van de bevindingen van het rapport van 18 juli 2013. Het hoger beroep van appellant geeft daarmee geen aanleiding tot een ander oordeel. Ook deze grond slaagt niet.


4.5.

Uit wat onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en G. van Zeben-de Vries en

P. Vrolijk als leden, in tegenwoordigheid van I. Mehagnoul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2015.




(getekend) J.P.M. Zeijen




(getekend) I. Mehagnoul



UM