Centrale Raad van Beroep, 30-09-2015 / 14/262 WSF


ECLI:NL:CRVB:2015:3695

Inhoudsindicatie
Ov-schuld. Niet tijdig stopzetten studentenreisproduct. Verwijtbaarheid.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-30
Publicatiedatum
2015-10-26
Zaaknummer
14/262 WSF
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/262 WSF

Datum uitspraak: 30 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 9 december 2013, 13/1382 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft zijn vader, [naam vader] , hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2015. Voor appellant is zijn vader verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.F. Hofstee.

De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst zodat door de minister nader onderzoek kan worden verricht.

Partijen hebben nadere stukken overgelegd en de minister heeft vragen van de Raad beantwoord.

Partijen hebben toestemming verleend zonder nadere zitting uitspraak te doen.

OVERWEGINGEN

1.1.

De minister heeft voor het jaar 2012 aan appellant studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekend, waaronder een studentenreisproduct.


1.2.

Appellant heeft op 30 september 2012 aan de minister doorgegeven dat hij zijn studie per 1 oktober 2012 beëindigt en dat hij zijn studiefinanciering per die datum stopzet. Hierop heeft de minister appellant bij besluit van 22 oktober 2012 meegedeeld dat hij vanaf oktober 2012 geen recht heeft op studiefinanciering en daarmee ook geen recht meer heeft op een studentenreisproduct. Vermeld is dat appellant het studentenreisproduct zelf moet stopzetten om een schuld te voorkomen. Voor meer informatie is gewezen op de website www.duo.nl.


1.3.

Bij besluit van 26 oktober 2012 heeft de minister appellant bericht dat hij op zijn

OV-chipkaart een week- of weekendabonnement had staan, terwijl daarop geen recht bestond. Als ov-schuld is een bedrag van € 194,- vermeld.


1.4.

Nadien is de ov-schuld in de periode november 2012 tot en met maart 2013 maandelijks verhoogd met een bedrag van € 194,- omdat appellant gedurende die maanden op zijn

OV-chipkaart een week- of weekendabonnement had staan, terwijl daarop geen recht bestond. De minister heeft dit vastgesteld bij besluiten van 24 november 2012, 28 december 2012,

26 januari 2013, 2 maart 2013 en 29 maart 2013. Voorts is bij het besluit van 26 januari 2013 het recht op studiefinanciering van appellant over de maand september 2012 herzien omdat bij een inschrijvingscontrole is gebleken dat appellant in die maand niet stond ingeschreven voor het volgen van een (voltijdse) studie. Naast terugvordering van het over de maand september 2012 betaalde bedrag aan studiefinanciering is over die maand een ov-schuld vastgesteld van € 194,-.


1.5.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de onder 1.3 en 1.4 vermelde besluiten. Appellant heeft aangevoerd dat hij tijdens zijn vakantie in Spanje in augustus 2012 zijn OV-chipkaart is kwijtgeraakt en hij daarvan bij brief van 9 september 2012 melding heeft gemaakt bij de Klantenservice van OV-chipkaart. Appellant ging ervan uit dat met het versturen van die brief het studentenreisproduct was beëindigd.


1.6.

Bij besluit van 27 mei 2013 (bestreden besluit) heeft de minister het door appellant gemaakte bezwaar tegen de besluiten van 26 oktober 2012 en 24 november 2012

niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar tegen de besluiten van 28 december 2012,

26 januari 2013, 2 maart 2013 en 29 maart 2013 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit voor zover daarbij het bezwaar tegen de besluiten van 26 oktober 2012 en

24 november 2012 niet-ontvankelijk is verklaard gegrond verklaard, dat besluit in zoverre vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit geheel in stand blijven en het beroep tegen het bestreden besluit voor het overige ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat de hiervoor onder 1.3 en 1.4 vermelde besluiten eerst zijn bekendgemaakt in de zin van artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) door toezending van die besluiten per post op 29 maart 2013 zodat tegen alle besluiten tijdig bezwaar is gemaakt. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister terecht onder toepassing van artikel 3.27 van de Wsf 2000 ten laste van appellant een ov-schuld heeft vastgesteld over de periode september 2012 tot en met maart 2013 nu appellant niet tijdig zijn studentenreisproduct heeft stopgezet en dit hem valt toe te rekenen. Daartoe is overwogen dat met de brief van 9 september 2012 waarin melding is gemaakt van vermissing van de

OV-chipkaart niet het reisrecht op de door de wetgever voorgeschreven wijze is beëindigd. Ingevolge artikel 4.2, eerste lid, van de Regeling studiefinanciering 2000 (Rsf 2000) kon immers tot 1 december 2012 het reisrecht slechts worden beëindigd door deactivering daarvan via de website van de minister. Voorts is overwogen dat het de eigen verantwoordelijkheid van appellant is om het reisrecht te deactiveren en de wijze van stopzetten stap voor stap is omschreven op de website van de minister. De omstandigheid dat de schuld vanaf het einde van het recht op studiefinanciering maandelijks is opgelopen, is het gevolg van het niet tijdig op de juiste wijze stopzetten van het reisrecht. Van een situatie waarin het niet tijdig beëindigen van het reisrecht aantoonbaar niet aan appellant kan worden toegerekend is derhalve geen sprake.


3. Appellant heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

Appellant voert aan dat de (opgelopen) ov-schuld in de periode tot en met maart 2013 te wijten is aan de gebrekkige handelwijze van de minister welke niet voor risico en rekening van appellant dient te komen. Appellant was in de hier aan de orde zijnde periode niet op de hoogte van het bestaan van een ov-schuld en hoefde daar redelijkerwijs ook niet op de hoogte van te zijn. In dit verband is het volgende naar voren gebracht. De minister heeft de

e-mailberichten betreffende de elektronische verzending van de onder 1.2 tot en met 1.4 genoemde besluiten naar een niet bestaand e-mailadres verzonden en heeft deze besluiten, in strijd met het bepaalde in de Algemene Voorwaarden van ‘Mijn DUO’, vervolgens niet tijdig per post verzonden. Eerst bij brief van 29 maart 2013 is appellant er door de minister op gewezen dat hij zijn studentenreisproduct niet op de juiste wijze heeft stopgezet. In de periode oktober 2012 tot en met maart 2013 was er geen enkele reden voor appellant te veronderstellen dat hij nog enige verplichting had jegens de minister nu hij tijdig heeft doorgegeven dat hij zijn opleiding en studiefinanciering wenste te beëindigen en hij bij brief van 9 september 2012 aan de Klantenservice van OV-chipkaart heeft gemeld dat hij niet langer beschikt over zijn OV-studentenchipkaart. Voorts kon van appellant niet verwacht worden dat hij uit de aan hem gestuurde acceptgiro’s de conclusie zou trekken dat hij zijn studentenreisproduct niet op de juiste wijze had stopgezet. Ten slotte heeft appellant gesteld dat ten onrechte een ov-vordering is opgelegd over de maanden april tot en met juni 2013 omdat hij op 5 april 2013 zijn OV-studentenchipkaart alsnog via internet heeft afgemeld.


4. De Raad overweegt als volgt.


4.1.

Op de eerste plaats wordt vastgesteld dat het bestreden besluit betrekking heeft op de aan appellant opgelegde ov-schuld over de periode september 2012 tot en met maart 2013. Niet in geschil is dat appellant in deze periode geen recht had op studiefinanciering en dus geen recht had op een studentenreisproduct.


4.2.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank, en de daartoe gegeven overweging, dat appellant met de brief van 9 september 2012 aan Klantenservice OV-chipkaart, waarin melding is gemaakt van vermissing van zijn OV-chipkaart, het reisrecht in de periode september 2012 tot en met maart 2013 niet op de door de wetgever voorgeschreven wijze heeft beëindigd.


4.3.

Het voorgaande leidt tot de vaststelling dat appellant op grond van het bepaalde in artikel 3.27, tweede lid, van de Wsf 2000 aan de minister over de periode september 2012 tot en met maart 2013 een bedrag van € 194,- per maand, in totaal € 1.358,-, verschuldigd is. Dit is slechts anders indien sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3.27, derde lid, van de Wsf 2000 dan wel van zeer bijzondere omstandigheden op grond waarvan met toepassing van de hardheidsclausule (artikel 11.5 van de Wsf 2000) zou moeten worden afgeweken van het dwingend voorgeschreven artikel 3.27, tweede lid, van de Wsf 2000.


4.3.1.

De minister heeft ter zitting en bij brief van 22 april 2014 (lees 2015) te kennen gegeven dat hij de ov-schuld over de maand maart 2013 niet langer handhaaft omdat de minister eerst bij brief van 29 maart 2013 heeft gereageerd op de brief van appellants gemachtigde van 16 februari 2013.


4.3.2.

Voor wat betreft de periode september 2012 tot en met februari 2013 is de Raad van oordeel dat niet sprake is van een situatie waarin het niet tijdig beëindigen van het reisrecht aantoonbaar niet aan appellant kan worden toegerekend en dat evenmin sprake is van een situatie dat toepassing van de wet leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Daartoe wordt het volgende overwogen. De onjuiste veronderstelling van appellant dat door de melding van het verlies van de OV-studentenchipkaart bij brief van 9 september 2012 aan de Klantenservice van OV-chipkaart het reisrecht op de juiste wijze was stopgezet komt voor zijn risico en rekening. Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld in zijn uitspraken van

9 november 2007 (ECLI:NL:CRVB:2007:BB8091) en 2 juli 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:2824) levert onbekendheid met de van toepassing zijnde regelgeving geen overmachtssituatie op als bedoeld in artikel 3.27, derde lid, van de Wsf 2000. Het was de eigen verantwoordelijkheid van appellant om zich tijdig ervan te vergewissen, bijvoorbeeld door middel van raadpleging van de website of brochures van de minister, op welke wijze hij zijn reisrecht diende te beëindigen. De melding stopzetting studiefinanciering per 1 oktober 2012 maakt dat niet anders. Voorts heeft appellant met het onbestelbaar retour gekomen

e-mailbericht van 29 juli 2013 niet aangetoond dat het door hem aan de minister opgegeven

e-mailadres in het kader van de elektronische bekendmaking van berichten studiefinanciering in de hier aan de orde zijnde periode oktober 2012 tot en met februari 2013 eveneens onbereikbaar was. Daar komt bij dat appellant vanaf november 2012 maandelijks per post brieven met acceptgiro’s ontvangen heeft waarin staat vermeld dat appellant een schuld heeft wegens het niet op tijd inleveren van de OV-studentenkaart of te laat stopzetten van het studentenreisproduct, waarvan hij bericht heeft gehad. Waar appellant had gekozen voor digitale bekendmaking van berichten studiefinanciering had het op zijn weg gelegen naar aanleiding daarvan zijn gegevens op de website van ‘Mijn DUO’ te raadplegen dan wel gericht navraag te doen bij de minister waar die schuld op was gebaseerd. Eerst bij brief van 16 februari 2013 heeft appellants vader, na daartoe door appellant te zijn gemachtigd, bij de minister navraag gedaan over de ov-schuld.


4.4.

Voor zover aan appellant een ov-vordering over de maanden april 2013 tot en met juni 2013 is opgelegd valt deze vordering, nu het bestreden besluit daar geen betrekking op heeft, buiten de omvang van het geding in hoger beroep. Ten overvloede wordt daarover het volgende opgemerkt. Ingevolge artikel 4.2, tweede lid, van de Rsf 2000 dient vanaf

1 december 2012 het reisrecht te worden beëindigd door het reisproduct dat op de

OV-chipkaart is geladen, stop te zetten bij een daartoe bestemde automaat van de vervoersbedrijven. De studerende die zijn OV-studentenchipkaart verloren is kan, onder de verplichting hiervan melding te maken bij Klantenservice OV-chipkaart, bij deze instantie een aanvraag stopzetten studentenreisproduct indienen. Gelet op de door de minister in hoger beroep overgelegde e-mail van 29 mei 2015 van de Regisseur Studenten Reisrecht (RSR), welke organisatie in opdracht van de vervoersbedrijven de digitale administratie van het studentenreisrecht verzorgt, staat genoegzaam vast dat appellant zijn studentenreisproduct ook in de periode april tot en met juni 2013 niet op de voorgeschreven wijze heeft stopgezet. Niet is gesteld noch is gebleken dat appellant, naast de melding van het verlies van zijn

OV-studentenchipkaart bij Klantenservice OV-chipkaart, bij die instantie tevens een aanvraag stopzetten studentenreisproduct heeft ingediend. De in de e-mail van RSR genoemde beperkte bewaartermijn van transacties heeft voor appellant geen betekenis nu hij niet meer in het bezit was van zijn OV-studentenchipkaart en hij daarmee dan ook in april 2013 geen transactie in de vorm van een stopzetting kan hebben verricht.


4.5.

Uit wat in 4.1 tot en met 4.3.2 is overwogen vloeit voort dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover daarbij het beroep tegen het bestreden besluit in zoverre daarbij de ov-schuld over de maand maart 2013 is gehandhaafd, ongegrond is verklaard. Omdat de ov-vordering over de maand maart 2013 niet is gehandhaafd zal de Raad ook het besluit van 29 maart 2013 herroepen. Voor het overige dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.


5. Met betrekking tot het namens appellant ingediende verzoek om de minister te veroordelen tot schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente wordt het volgende overwogen. De door appellant ingevolge het besluit van 29 maart 2013 verrichte betaling van € 194,- is onverschuldigd gedaan. De door appellant als gevolg van deze onverschuldigde betaling gederfde inkomsten uit rente zijn aan te merken als schade voortvloeiend uit dat besluit en dienen door de minister te worden vergoed. De Raad acht ingevolge artikel 4:102, eerste lid, van de Awb de wettelijke rente toewijsbaar vanaf het moment dat feitelijk onverschuldigd is betaald, zijnde vanaf 16 september 2013. Daarbij geldt dat telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover de wettelijke rente wordt berekend, dient te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente.


6. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten in hoger beroep is niet gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van

27 mei 2013 in zoverre daarbij het besluit van 29 maart 2013 is gehandhaafd, ongegrond is verklaard;

  • - verklaart het beroep in zoverre gegrond en vernietigt het besluit van 27 mei 2013 voor zover daarbij de ov-schuld over de maand maart 2013 is gehandhaafd;
  • - herroept het besluit van 29 maart 2013;
  • - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van

27 mei 2013;

  • - bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
  • - bepaalt dat de minister aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 118,- vergoedt;
  • - veroordeelt de minister tot vergoeding aan appellant van wettelijke rente zoals onder 5 van deze uitspraak is vermeld.


Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2015.




(getekend) J. Brand




(getekend) M.D.F. de Moor


IvR