Centrale Raad van Beroep, 12-02-2015 / 13-6302 MPW


ECLI:NL:CRVB:2015:371

Inhoudsindicatie
Herziening militair invaliditeitspensioen naar een mate van invaliditeit met dienstverband van 25%. De omschrijving van klasse 3 kan - in samenhang met die van klasse 2 gelezen - niet aldus worden uitgelegd dat klasse 3 niet van toepassing zou zijn op iemand die geen slaapmedicatie meer gebruikt omdat medisch is vastgesteld dat deze niet helpt, maar die toch drie dagen of meer per week de beschreven slaapproblemen ondervindt en als gevolg daarvan overdag niet fit is. Op grond van het rapport van de psychiater Van Marle is aannemelijk dat deze situatie zich hier voordoet. Geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de seksuele beperkingen bij de behandeling van de PTSS aan de orde zijn geweest als een afzonderlijk probleem. Uitgaande van een score 3 voor slapen en een score 0 voor de seksuele functie, dient de mate van invaliditeit met dienstverband alsnog te worden vastgesteld op 35%.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-12
Publicatiedatum
2015-02-17
Zaaknummer
13-6302 MPW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6302 MPW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

16 oktober 2013, 12/6198 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Defensie (minister)

PROCESVERLOOP

In verband met een wijziging van taken is in dit geschil de minister in de plaats getreden van de Staatssecretaris van Defensie. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de minister, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de staatssecretaris verstaan.

Namens appellant heeft mr. H.J.M.G.M. van der Meijden, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het geschil is aan de orde gesteld ter zitting van 11 december 2014. Partijen zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant, geboren in 1958, is als dienstplichtig militair van maart tot augustus 1979 uitgezonden geweest naar Libanon in het kader van de UNIFIL-missie. De minister heeft aanvaard dat hij lijdt aan een chronische posttraumatische stress-stoornis (PTSS) die verband houdt met de uitoefening van de militaire dienst. Bij besluit van 19 februari 2008 is hem met ingang van 13 september 2006 een militair invaliditeitspensioen toegekend naar een mate van invaliditeit met dienstverband van 30%.


1.2.

In het kader van een herbeoordeling heeft een nieuw verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden, waarvan op 26 oktober 2009 rapport is uitgebracht. Daarbij is toepassing gegeven aan het PTSS Protocol, vastgesteld bij ministeriële regeling van

27 juni 2008 (Stcrt. 2009, 11661). Op grond van de uitkomsten van dit onderzoek heeft de minister bij besluit van 22 januari 2010 de mate van invaliditeit met dienstverband per 1 februari 2010 gesteld op 25%.


1.3.

Het hiertegen gerichte bezwaar van appellant is bij besluit van 30 juni 2010 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 21 december 2011 heeft de rechtbank ’s‑Gravenhage het beroep tegen dit besluit gegrond verklaard, het besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.


1.4.

De minister heeft appellant laten onderzoeken door prof. dr. H.J.C. van Marle, psychiater. Deze heeft op 2 april 2012 rapport uitgebracht. Op vragen van de zijde van de minister heeft Van Marle geantwoord bij nader rapport van 23 mei 2012. Bij besluit van 26 juni 2012 heeft de minister het bezwaar van appellant gegrond verklaard en de mate van invaliditeit met dienstverband per 1 februari 2010 gesteld op 30%. Bij besluit van 27 augustus 2013 heeft de minister de mate van invaliditeit met dienstverband per 1 februari 2010 nader bepaald

op 33,75%.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen in stand blijven. Tevens zijn bepalingen gegeven omtrent proceskosten en griffierecht.


3. De Raad overweegt ambtshalve als volgt.


3.1.

Appellant heeft beroep bij de rechtbank ingesteld tegen het besluit van 26 juni 2012. Op grond van de artikelen 6:18 en 6:19 (oud) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) was dit beroep van rechtswege mede gericht tegen het nadere besluit van 27 augustus 2013. De rechtbank heeft zich echter niet afzonderlijk uitgesproken over de gegrondheid van dit beroep tegen het nadere besluit. Wel heeft zij rechtsgevolgen in stand gelaten, maar dit kan

- daargelaten welke rechtsgevolgen de rechtbank op het oog had - zo'n afzonderlijk oordeel niet vervangen.


3.2.

Reeds hierom kan de aangevallen uitspraak niet in stand blijven.


4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, komt de Raad tot de volgende beoordeling.


4.1.

Niet in geschil is dat het besluit van 26 juni 2012 in rechte geen stand houdt. In dit besluit is een wijze van afronding toegepast die de minister niet langer handhaaft.


4.2.

Het hoger beroep van appellant heeft betrekking op het nadere besluit van 27 augustus 2013, voor zover daarbij de mate van invaliditeit met dienstverband is gesteld op 33,75%. De beroepsgronden zijn uitsluitend nog gericht tegen de scores die de minister bij de toepassing van het PTSS Protocol heeft toegekend in de subrubrieken 3 (Slapen) en 4 (Seksuele functie).


4.3.

Wat betreft de beperkingen in het slapen, heeft de minister appellant ingedeeld in klasse 2. Volgens de omschrijving in het PTSS Protocol gaat het in die klasse om gevallen waarin drie dagen of vaker per week sprake is van later inslapen en/of korter doorslapen en/of soms, echter niet elke dag nachtmerrie(s), zich uitend in doorslaapstoornissen.


4.4.

Appellant wenst te worden ingedeeld in klasse 3. Daarvoor is blijkens de omschrijving vereist dat sprake is van min of meer permanente slaapmedicatie en gemiddeld drie dagen of vaker per week later inslapen en/of korter doorslapen en/of bijna dagelijks nachtmerrie(s) zich uitend in doorslaapstoornissen. Tevens tegelijkertijd niet fit opstaan.


4.5.

Als vaststaand moet worden aangenomen dat appellant ten tijde hier van belang geen slaapmedicatie gebruikte. Om die reden acht de minister indeling in klasse 3 niet mogelijk. Appellant heeft daartegen aangevoerd dat in het kader van de behandeling van zijn PTSS al het mogelijke is geprobeerd om het slapen door middel van medicatie te verbeteren, maar dat dit geen succes heeft gehad en dat hij om die reden geen slaapmedicatie meer gebruikt. Deze beroepsgrond treft doel. De omschrijving van klasse 3 kan - in samenhang met die van klasse 2 gelezen - niet aldus worden uitgelegd dat klasse 3 niet van toepassing zou zijn op iemand die geen slaapmedicatie meer gebruikt omdat medisch is vastgesteld dat deze niet helpt, maar die toch drie dagen of meer per week de beschreven slaapproblemen ondervindt en als gevolg daarvan overdag niet fit is. Op grond van het rapport van Van Marle is aannemelijk dat deze situatie zich hier voordoet.


4.6.

Het hoger beroep slaagt in zoverre.


4.7.

Wat betreft de beperkingen in de seksuele functie, heeft de minister appellant ingedeeld in de klasse 0. Daartoe is overwogen dat niet is voldaan aan de bepaling in het PTSS Protocol dat in deze subrubriek alleen wordt gescoord indien duidelijk uit eerdere verslaglegging blijkt dat voor dit probleem specifieke behandeling/hulp is gezocht bij een professioneel deskundige.


4.8.

Appellant heeft betoogd dat deze eis in het PTSS Protocol niet had mogen worden gesteld. Die beroepsgrond treft geen doel. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, vat de minister de gestelde voorwaarde zo op dat reeds voldoende is dat de seksuele problematiek door bijvoorbeeld de behandelend psychiater als een afzonderlijk probleem is gesignaleerd. Daarmee wordt aan het PTSS Protocol een redelijke en juiste uitleg gegeven. Met inachtneming hiervan is het vereiste niet in strijd met hogere wet of regelgeving en doorstaat het de terughoudende rechterlijke toetsing zoals deze geldt voor wetgeving in materiële zin (CRvB 13 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3830).


4.9.

Niet in geschil is, dat in het geval van appellant geen afzonderlijke, gerichte behandeling van de seksuele problematiek heeft plaatsgevonden door - bijvoorbeeld - een seksuoloog. Evenmin zijn in de gedingstukken aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat de seksuele beperkingen bij de behandeling van de PTSS aan de orde zijn geweest als een afzonderlijk probleem zoals onder 4.8 bedoeld. Integendeel, appellant en zijn echtgenote hebben op de door hen in bezwaar overgelegde scoringslijst voor de seksuele functie een score 0 (geen beperking) ingevuld. Hun toelichting op die scorelijst laat zien dat weliswaar sprake is van een vermindering van de seksuele functie, maar dat deze voortkomt uit de algehele vermoeidheid die appellant door de PTSS ervaart en niet tot verstoring van de echtelijke relatie heeft geleid. Ook Van Marle is van mening dat de beperking van de seksuele functie geheel in de symptomatologie van de PTSS is ingebed, met andere woorden dat afzonderlijke behandeling niet aan de orde is.


4.10.

Onder deze omstandigheden houdt de indeling van de seksuele functie in klasse 0 in rechte stand. In zoverre slaagt het hoger beroep niet.


5. De Raad concludeert dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het besluit van 26 juni 2012 vernietigen wat betreft de mate van invaliditeit met dienstverband. Het primaire besluit van 22 januari 2010 wordt herroepen wat betreft de mate van invaliditeit met dienstverband. Uitgaande van een score 3 voor slapen en een score 0 voor de seksuele functie, dient de mate van invaliditeit met dienstverband alsnog te worden vastgesteld op 35%. Het nadere besluit van 27 augustus 2013, waarin de minister tot een ander percentage is gekomen, zal eveneens worden vernietigd.


6. Er is aanleiding om de minister met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot in totaal € 1.461,- wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 26 juni 2012 gegrond en vernietigt dit besluit wat

betreft de mate van invaliditeit met dienstverband;

- vernietigt het besluit van 27 augustus 2013;

- herroept het besluit van 22 januari 2010 wat betreft de mate van invaliditeit met

dienstverband;

- stelt de mate van invaliditeit met dienstverband per 1 februari 2010 vast op 35% en bepaalt

dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 26 juni

2012;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.461,;

- bepaalt dat de minister aan appellant het door hem in beroep en in hoger beroep betaalde

griffierecht van in totaal € 160, vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper als voorzitter en B.J. van de Griend en D.A.C. Slump als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2015.




(getekend) R. Kooper




(getekend) E. Heemsbergen



HD