Centrale Raad van Beroep, 23-10-2015 / 13-1639 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:3715

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering WIA-uitkering. Geen sprake van arbeidsongeschiktheid, dat de verstrekking van uitkering aan appellante per die datum in een rechtstreeks oorzakelijk verband moet worden gezien met haar simulatie en dat daarom moet worden gezegd dat, omdat geen sprake was van arbeidsongeschiktheid, daardoor ten onrechte aan haar uitkering is verstrekt. De Raad onderschrijft dan ook het oordeel van de rechtbank dat er rechtens geen beletsel is voor het Uwv om de WIA-uitkering van appellante met terugwerkende kracht per 19 september 2006 in te trekken.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-23
Publicatiedatum
2015-10-29
Zaaknummer
13-1639 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
Uitspraak

13/1639 WIA

Datum uitspraak: 23 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

8 maart 2013, 12/3529 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.J.M. Strijbosch, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Strijbosch. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante was laatstelijk werkzaam als tuinbouwmedewerkster. Zij heeft zich op

21 september 2004 vanuit de Werkloosheidswet ziekgemeld ten gevolge van psychische klachten.


1.2.

In het kader van de beoordeling van de Ziektewet (ZW) heeft op 8 augustus 2005 een expertise plaatsgevonden door psychiater J.D.J. Tilanus. Uit het rapport van Tilanus van

25 augustus 2005 blijkt dat het niet mogelijk was een (auto-)anamnese bij appellante af te nemen, omdat zij geen antwoord gaf op vragen. Tilanus dacht in eerste instantie aan een hysterische psychose, maar differentiaal diagnostisch moest een nagebootste stoornis met psychische verschijnselen en klachten worden overwogen. Tilanus achtte nader onderzoek en observatie van appellante noodzakelijk voor het uitwerken van de diagnose en eventuele behandeling. Vervolgens heeft de ZW-arts informatie ingewonnen bij psychiater

W.A.F. Sondemeyer, bij wie appellante sinds 25 oktober 2004 onder behandeling was. Sondemeyer berichtte dat appellante tijdens het eerste gesprek volkomen psychotisch was; nadien is zij geleidelijk aan rustiger en minder angstig geworden. Hij behandelde haar alleen met medicatie omdat zij verbaal nauwelijks te bereiken was. Appellante is geadviseerd om niet te veel inspanningen te verrichten. Het resultaat van de behandeling was tot op dat moment matig. De ZW-arts concludeerde dat bij appellante geen sprake was van benutbare mogelijkheden.


1.3.

Bij besluit van 23 augustus 2006 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante met ingang van 19 september 2006 recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Daarbij is de mate van haar arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 80 tot 100%. Daaraan ligt ten grondslag een verzekeringsgeneeskundig rapport van

22 augustus 2006, waarin is overwogen dat in het kader van een expertise door psychiater Tilanus een klinisch-psychiatrische opname noodzakelijk werd geacht, maar dat de behandelend psychiater blijkbaar geen indicatie zag. Ook bij huidig onderzoek is er geen verandering opgetreden. De verzekeringsarts concludeerde dat er sprake is van een ernstige psychische stoornis en dat appellante geen benutbare mogelijkheden heeft.


2.1.

Vanaf eind 2010 heeft strafrechtelijk onderzoek plaatsgevonden in verband met mogelijke uitkeringsfraude door appellante. Daartoe is onder meer dossieronderzoek verricht, hebben observaties van appellante plaatsgevonden en is appellante in maart 2011 diverse keren verhoord. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het Rapport Werknemersfraude van 7 juni 2011. Blijkens het in dit rapport opgenomen verslag van het verhoor op 10 maart 2011 heeft appellante verklaard dat zij nooit gewerkt heeft en dat zij tijdens het bezoek aan de verzekeringsarts “toneel” speelde, waardoor het leek of zij een ernstige psychische aandoening had, en dat zij zodoende ten onrechte uitkering heeft ontvangen. Ook heeft zij verklaard dat haar klachten van dien aard waren dat zij wel in staat was om te werken en heeft zij erkend dat zij het aanvraagformulier WIA opzettelijk niet naar waarheid heeft ingevuld en ondertekend.


2.2.

Vervolgens heeft verzekeringsgeneeskundig heronderzoek plaatsgevonden. De verzekeringsarts is in overleg getreden met psychiater Tilanus. Deze concludeerde na herlezing van zijn expertiserapport van 25 augustus 2005 dat in het huidige daglicht zijn conclusies anders zouden zijn geweest, omdat nu wel duidelijk sprake is van aanwezigheid van een externe bekrachtiging voor het gedrag in de zin van geldelijk gewin. Simulatie zou volgens Tilanus nu zeker een overweging zijn. In zijn rapport van 9 augustus 2011 heeft de verzekeringsarts overwogen dat uit eigen onderzoek, uit revisie van dossiergegevens en uit overleg met Tilanus op 13 juli 2011 is komen vast te staan dat de diagnose ‘nagebootste stoornis’ ten onrechte is gesteld, omdat de externe bekrachtiging voor het gedrag niet aandacht en zorg van derden betrof, maar geldelijk gewin, zoals nu is komen vast te staan. Bij appellante is duidelijk sprake van simulatie. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat vanaf de eerste ziekmelding geen sprake is geweest van langdurige beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek en dat appellante nagenoeg ononderbroken in staat is geweest om arbeid te verrichten.


2.3.

Bij besluit van 11 augustus 2011 heeft het Uwv het besluit van 23 augustus 2006 tot toekenning aan appellante van een WIA-uitkering met ingang van 19 september 2006 ingetrokken, omdat vastgesteld is dat de belastbaarheid destijds op verkeerde gronden is ingeschat en dit mede het gevolg is van het door appellante onjuist dan wel onvolledig weergeven van haar gezondheidstoestand. Beslist is voorts dat appellante alsnog met ingang van laatstgenoemde datum geen recht heeft op uitkering.


2.4.

Bij besluit van 29 augustus 2011 heeft het Uwv de over de periode van

19 september 2006 tot en met 30 juni 2011 aan appellante onverschuldigd betaalde uitkering van € 82.753,82 bruto van appellante teruggevorderd.


2.5.

Bij besluit van 19 april 2012 heeft het Uwv de over 2009 en 2010 op grond van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg) betaalde tegemoetkoming arbeidsongeschikten ter hoogte van € 700,- van appellante teruggevorderd.


2.6.

Appellante heeft tegen deze besluiten bezwaar gemaakt. Zij acht zich destijds en nog steeds arbeidsongeschikt. Naar aanleiding van het bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de medische beoordeling heroverwogen, maar geconcludeerd dat het bezwaar geen aanleiding vormt tot herziening van de medische grondslag. Aan haar rapport van

3 oktober 2012 wordt het volgende ontleend:

“De diverse discrepanties ….. B73.4 ….. onderliggende ziekte of gebrek.”


2.7.

Bij besluit van 8 oktober 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 11 augustus 2011, 29 augustus 2011 en 19 april 2012 met toepassing van artikel 76 van de Wet WIA en de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 van 17 oktober 2006, Stcrt. 2006, 230 (Beleidsregels) ongegrond verklaard. Het Uwv heeft onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 3 oktober 2012 zijn standpunt gehandhaafd dat appellante haar inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat vanaf 19 september 2006 geen sprake was van beperkingen als gevolg van ziekte of gebreken.


3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Het betoog van appellante dat het Uwv gehandeld heeft in strijd met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel faalt. In dit verband heeft de rechtbank opgemerkt dat appellante in beroep alsnog kennis heeft kunnen nemen van de processen-verbaal, die mede ten grondslag hebben gelegen aan het Rapport Werknemersfraude. Naar het oordeel van de rechtbank bieden de beschikbare medische bevindingen en conclusies, waaronder die van de verschillende verzekeringsartsen en psychiaters, in onderlinge samenhang bezien, een voldoende overtuigende grondslag voor het standpunt van het Uwv dat er bij appellante vanaf 19 september 2006 geen sprake was van een (psychiatrische) ziekte of gebrek. Ook het Rapport Werknemersfraude en de daaraan ten grondslag liggende processen-verbaal bieden steun aan dit oordeel. Daarbij heeft de rechtbank onder meer gewezen op de op 10 maart 2011 door eiseres afgelegde verklaring dat zij tijdens het bezoek aan de keuringsarts van het Uwv “toneel” speelde waardoor het leek alsof zij een ernstige psychische aandoening had. Hieraan kan volgens de rechtbank niet afdoen de enkele, niet nader onderbouwde ontkenning door appellante van de juistheid van die processen-verbaal. Het Uwv was dan ook gehouden om op grond van artikel 76, eerste lid, van de Wet WIA om de uitkering van appellante in te trekken.

4. Appellante heeft in hoger beroep de door haar eerder in bezwaar en beroep naar voren gebrachte gronden gehandhaafd. Zij blijft van mening dat zij volledig arbeidsongeschikt was en is ten gevolge van psychische en fysieke beperkingen. Zij stelt in het strafrechtelijk onderzoek zwaar onder druk te zijn gezet en daardoor onjuiste verklaringen te hebben afgelegd.


5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


Toetsingskader: algemeen


5.1.1.

Op grond van artikel 27, eerste lid, van de Wet WIA moet een verzekerde, die een aanvraag voor een uitkering heeft ingediend of recht heeft op een uitkering op grond van deze wet, op verzoek of uit eigen beweging zo spoedig mogelijk alle informatie verstrekken, waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van invloed kan zijn op het recht op uitkering, de hoogte of de betaling daarvan.


5.1.2.

In artikel 76, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet WIA is bepaald dat het Uwv een beschikking op grond van deze wet herziet of intrekt indien:

a. als gevolg van het niet of niet volledig nakomen van de artikelen 27 tot en met 32 en de daarop berustende bepalingen het recht op een uitkering niet of niet meer kan worden vastgesteld of ten onrechte is vastgesteld of de hoogte van de uitkering ten onrechte op een te hoog bedrag is vastgesteld; (…)

c. anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.

Op grond van het derde lid kan het Uwv geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking afzien indien daarvoor dringende redenen zijn.


5.2.

Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2015:2844) is intrekking of herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering met terugwerkende kracht in het algemeen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. In uitzonderingsgevallen is van strijd met dat beginsel geen sprake. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan gevallen waarin het toekennen en/of het ongewijzigd voortzetten van de uitkering mede het gevolg is geweest van onjuiste of onvolledige informatieverstrekking door de betrokkene, terwijl de uitvoeringsinstelling een andere (minder gunstige) beslissing zou hebben genomen indien zij destijds wel de juiste feiten had gekend.


5.3.

Artikel 3 van de Beleidsregels bepaalt tot en met welke dag intrekking of herziening van uitkering met terugwerkende kracht plaatsvindt indien door toedoen van de verzekerde (als gevolg van het niet nakomen van een inlichtingenverplichting of een medewerkingsverplichting) ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering is verstrekt dan wel het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld. Voorts is geregeld tot en met welke dag intrekking of herziening plaatsvindt voor de situatie dat geen sprake is van toedoen of van een niet-nakoming van een verplichting maar het de verzekerde redelijkerwijs duidelijk was of duidelijk kon zijn en bij samenloop van een of meer eerdergenoemde situaties.


5.4.

Bij een belastend besluit tot intrekking of herziening met terugwerkende kracht en tot terugvordering van wat aan uitkering is betaald, rust op het Uwv de verplichting om niet alleen de feiten te stellen waarop hij het bestreden besluit doet steunen, maar ook - in geval van betwisting - die feiten aannemelijk te maken (zie ook ECLI:NL:CRVB:2015:1295).


Wat is in dit geval gesteld?


5.5.

Het Uwv heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellante vanaf

19 september 2006 in staat was loonvormende arbeid te verrichten en tevens dat zij haar arbeidsongeschiktheid van meet af aan heeft voorgewend, in verband waarmee appellante het verwijt treft dat haar ten onrechte uitkering is verstrekt als gevolg van schending van de in artikel 27 van de Wet WIA neergelegde inlichtingenverplichting.


Ten onrechte uitkering verstrekt?


5.6.1.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat op grond van het geheel van de over appellante voorliggende gegevens, waarvan in het bijzonder het verslag van de verzekeringsarts van het nadere overleg op 13 juli 2011 met psychiater Tilanus en de hiervoor onder 2.6 aangehaalde conclusies in het rapport van 3 oktober 2012 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, alsook de door appellante zelf afgelegde verklaring tijdens het verhoor op 10 maart 2011, in voldoende mate buiten twijfel is gesteld dat appellante op

19 september 2006 in staat was loonvormende arbeid te verrichten, omdat geen sprake was van een psychiatrische of lichamelijke ziekte of gebrek, en voorts dat haar het verwijt treft van meet af aan bij de medische onderzoeken, die uiteindelijk hebben geleid tot toekenning aan haar van uitkering met ingang van 19 september 2006, de onderzoekende artsen bewust te hebben misleid door een ernstige psychiatrische ziekte voor te wenden.


5.6.2.

Appellante heeft haar standpunt dat zij vanaf 19 september 2006 arbeidsongeschikt was en is gebleven niet doen ondersteunen met medische gegevens die aanknopingspunten bieden voor een ander oordeel. Appellante wordt evenmin gevolgd in haar stelling dat zij heeft bekend omdat zij tijdens het verhoor onder grote druk is komen te staan door intimiderende vragen van de opsporingsambtenaren. Uit vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 14 december 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AU8646) volgt dat in beginsel van de juistheid van de tegenover opsporingsambtenaren afgelegde en ondertekende verklaringen moet worden uitgegaan, tenzij in voldoende mate met feiten of omstandigheden aannemelijk wordt gemaakt dat de verklaringen niet in vrijheid zijn afgelegd. Niet gebleken dat appellante bij het verhoor onder een ontoelaatbare druk heeft gestaan.


5.6.3.

Gelet op wat is overwogen onder 5.6.1 en 5.6.2 stelt de Raad zich achter het standpunt van het Uwv dat bij appellante op 19 september 2006 geen sprake was van arbeidsongeschiktheid, dat de verstrekking van uitkering aan appellante per die datum in een rechtstreeks oorzakelijk verband moet worden gezien met haar simulatie en dat daarom moet worden gezegd dat, omdat geen sprake was van arbeidsongeschiktheid, daardoor ten onrechte aan haar uitkering is verstrekt. De Raad onderschrijft dan ook het oordeel van de rechtbank dat er rechtens geen beletsel is voor het Uwv om de WIA-uitkering van appellante met terugwerkende kracht per 19 september 2006 in te trekken.


5.7.

Ten aanzien van de terugvorderingsbesluiten heeft appellante geen zelfstandige gronden aangevoerd. De rechtbank heeft op juiste gronden geoordeeld dat het Uwv onverschuldigd betaalde WIA-uitkeringen moet terugvorderen tenzij dringende redenen aanwezig zijn. Dat sprake is van dringende reden op grond waarvan het Uwv geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien, is niet gebleken. Voorts heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het Uwv op goede gronden de ten onrechte verstrekte tegemoetkoming op grond van de Wtcg heeft teruggevorderd.


5.8.

Het overwogene onder 5.1.1 tot en met 5.7 voert tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en E. Dijt en P. Vrolijk als leden, in tegenwoordigheid van M. Crum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2015.




(getekend) J.W. Schuttel




(getekend) M. Crum





MK