Centrale Raad van Beroep, 27-10-2015 / 14-3777 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:3719

Inhoudsindicatie
Medeterugvordering bijstand. Geen een van beide in de gezinsbijstand begrepen partners kan zich met vrucht beroepen op onbekendheid met de financiële situatie en de activiteiten van de ander.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-27
Publicatiedatum
2015-11-03
Zaaknummer
14-3777 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JWWB 2015/206
Uitspraak

14/3777 WWB

Datum uitspraak: 27 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

22 mei 2014, 13/8093 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.J. de Bruin, advocaat, hoger beroep ingesteld en op

3 september 2015 een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2015. De zaak is gevoegd behandeld met zaak 14/3568 WWB met betrekking tot [naam H] ([H]). Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Bruin. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. el Fizazi. In de zaak 14/3568 WWB wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante ontving, voor zover hier van belang, tezamen met [H] van 23 augustus 2011 tot 1 januari 2012 een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren en vanaf 1 januari 2012 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.


1.2.

Naar aanleiding van twee anonieme telefonische meldingen op respectievelijk 2 en

3 augustus 2012 dat [H] als boekhouder frauduleuze handelingen had gepleegd bij de aanvraag van kinderopvangtoeslagen, heeft de afdeling Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Rotterdam een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante en [H] verleende bijstand. De bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 3 augustus 2012. Op basis daarvan heeft de afdeling Bijzondere Onderzoeken een vooronderzoek en vervolgens een bestuursrechtelijk onderzoek ingesteld. De bevindingen daarvan zijn neergelegd in rapporten van respectievelijk 4 september 2012 en 15 november 2012.


1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om, voor zover hier van belang, bij besluit van 20 november 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 april 2013 (bestreden besluit), de bijstand van appellante en [H] met ingang van

23 augustus 2011 in te trekken en de over de periode vanaf 23 augustus 2011 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 19.458,02 van appellante en [H] terug te vorderen. De besluitvorming berust op de overweging dat op naam van [H] bij de Kamer van Koophandel ondernemingen stonden geregistreerd, dat hij op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht en dat hij, noch appellante, hiervan melding heeft gemaakt bij het college en voorts op de overweging dat appellante en [H] desgevraagd geen inzage hebben gegeven in onder meer twee rekeningen bij de ABN Amro. Daarmee hebben zij de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden. Voorts heeft het college overwogen dat appellante en [H] niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij, indien zij de inlichtingenverplichting niet hadden geschonden, recht zouden hebben op (aanvullende) bijstand, zodat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Het beroep was gericht tegen het bestreden besluit, enkel voor zover dit betreft de terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand van appellante.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Ingevolge artikel 59, eerste lid, in verbinding met artikel 58, eerste lid, van de WWB, zoals deze luidden ten tijde hier van belang, kunnen de kosten van bijstand die ten gevolge van een schending van de inlichtingenverplichting ten onrechte is verleend, indien de bijstand aan een gezin wordt verleend, van alle gezinsleden worden teruggevorderd. Ingevolge

artikel 59, derde lid, van de WWB zijn de gezinsleden hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van kosten van bijstand die worden teruggevorderd.

4.2.

In de uitspraak van heden in de zaak 14/3568 WWB is geoordeeld dat de wettelijke inlichtingenverplichting is geschonden, dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet is vast te stellen en dat daardoor teveel bijstand is verleend.


4.3.

Appellante heeft evenals bij de rechtbank aangevoerd dat zij geen weet had van de activiteiten van [H]. Deze omstandigheid leidt er niet toe dat het college niet bevoegd was om de kosten van bijstand van appellante terug te vorderen. Zoals de rechtbank juist heeft overwogen, worden in geval van gezinsbijstand de beide in de gezinsbijstand begrepen partners als een eenheid gezien wat hun aanspraken en verplichtingen op grond van de WWB betreft. Daarom kan geen van beide in de gezinsbijstand begrepen partners zich met vrucht beroepen op onbekendheid met de financiële situatie en de activiteiten van de ander. Vergelijk de uitspraak van 9 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:953. De omstandigheid dat [H] een voor appellante geheim dubbelleven leidde en zich heeft beziggehouden met onoorbare activiteiten leidt niet tot een ander oordeel. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.


4.4.

Appellante heeft voorts aangevoerd dat de terugvordering in strijd is met het bepaalde in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Zij heeft ook deze grond reeds in beroep aangevoerd. De rechtbank heeft onder verwijzing naar de uitspraak van 26 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5633, deze beroepsgrond terecht verworpen. Bedoelde bepaling verbiedt niet dat geldschulden op het inkomen van de schuldenaar worden verhaald, terwijl de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering garanderen dat deze kan blijven beschikken over een inkomen ter hoogte van, kort gezegd, negentig procent van de toepasselijke bijstandsnorm. Dat appellante inmiddels geruime tijd geen toeslagen en kindgebonden budget meer ontvangt doet aan het voorgaande niet af. Appellante heeft in hoger beroep geen gronden aangevoerd die tot een ander oordeel leiden. Deze beroepsgrond slaagt daarom evenmin.


4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het college bevoegd was om de kosten van de aan appellante en [H] verleende bijstand van appellante terug te vorderen en appellante daarvoor hoofdelijk aansprakelijk te stellen.


4.6.

Het college voert, naar niet in geschil is, ter zake van terugvorderingen een beleid dat inhoudt dat slechts van terugvordering wordt afgezien in geval van dringende redenen. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat wat appellante heeft aangevoerd over haar moeilijke psychische en financiële situatie en over de tegenslag die zij ten gevolge van haar huwelijk met [H] heeft ondervonden, niet een dringende reden vormt om van terugvordering van appellante af te zien. Het besluit is dan ook in overeenstemming met het gehanteerde beleid.


4.7.

Wat appellante heeft aangevoerd met betrekking tot de gevolgen van de gedragingen van [H] voor haar persoonlijke en financiële leven leidt voorts niet tot het oordeel dat het college gehouden was om in afwijking van het gehanteerde beleid al dan niet volledig af te zien van terugvordering van de verleende bijstand van appellante. Het feit dat appellante, zoals zij stelt, in het geheel geen verwijt kan worden gemaakt van de schending van de inlichtingenverplichting leidt, gelet op wat onder 4.2 is overwogen, niet tot een ander oordeel. Hierbij zij opgemerkt dat de wijze waarop het college het teruggevorderde bedrag van [H] en van appellante invordert geen onderdeel vormt van dit geding, zodat dit onderwerp buiten bespreking blijft.


4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal dan ook worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en F. Hoogendijk en

M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2015.





(getekend) R.H.M. Roelofs




(getekend) M.S. Boomhouwer




HD