Centrale Raad van Beroep, 27-10-2015 / 14/3597 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:3728

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering bijstand omdat een aanspraak bestond op een partnertoeslag ingevolge de Wsf 2000 waarmee inkomsten konden worden verworven boven de voor appellante geldende norm.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-27
Publicatiedatum
2015-11-02
Zaaknummer
14/3597 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/3597 WWB

Datum uitspraak: 27 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

26 mei 2014, 14/991 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.L.M. Klinkhamer hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2015. Voor appellante is

mr. Klinkhamer verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

M. Schuurman.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante ontving sinds 15 september 2010 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), laatstelijk naar de norm voor een alleenstaande. Appellante voert sinds 14 februari 2011 een gezamenlijke huishouding met de ten tijde in geding studerende [naam M] (M). Zijn inkomsten uit studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) werden op de bijstand van appellante in mindering gebracht. Op 3 januari 2013 is uit de relatie van appellante en M een kind geboren.


1.2.

Bij besluit van 14 juni 2013 heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 14 juni 2013 beëindigd en vanaf 3 januari 2013 ingetrokken. Vanaf laatstgenoemde datum bestond een aanspraak op een partnertoeslag ingevolge de Wsf 2000 waarmee inkomsten konden worden verworven boven de voor appellante geldende norm. Bij dit besluit heeft het college tevens de bijstand van appellante over de periode van 1 januari 2012 tot 3 januari 2013 herzien in verband met een nog niet verrekende wijziging in de hoogte van de studiefinanciering. Bij besluit van 25 juni 2013 heeft het college vervolgens de kosten van bijstand over de periode van 1 januari 2012 tot 3 januari 2013 teruggevorderd tot een bedrag van € 4.060,- en over de periode van 3 januari 2013 tot en met 31 mei 2013 tot een bedrag van

€ 3.776,98 (netto).


1.3.

Bij het besluit van 24 januari 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 14 juni 2013 ongegrond verklaard. Het bezwaar tegen het besluit van 25 juni 2013 heeft het college in zoverre gegrond verklaard dat de terugvordering over de periode van 1 januari 2012 tot 3 januari 2013 vervalt. Het college stelt zich voorts op het standpunt dat de partnertoeslag als een voorliggende voorziening moet worden aangemerkt, zodat in de periode van 3 januari 2013 tot 14 juni 2013 geen recht op bijstand bestond.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Ter beoordeling ligt voor de periode van 3 januari 2013 tot en met 14 juni 2013.


4.2.

In verband met de geboorte van zijn kind op 3 januari 2013 had M vanaf die datum aanspraak kunnen maken op de in de Wsf 2000 geregelde partnertoeslag. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:518) moet deze partnertoeslag worden aangemerkt als een aan de bijstand voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, geacht wordt voor de betrokkene toereikend en passend te zijn. Dit betekent dat appellante in de te beoordelen periode geen recht op bijstand had nu appellante met deze toeslag in de te beoordelen periode over inkomsten kon beschikken boven de voor haar geldende bijstandsnorm. Het gegeven dat M verzuimd heeft tijdig deze toeslag aan te vragen en om die reden hiervoor uiteindelijk niet meer in aanmerking kwam doet, anders dan appellante heeft betoogd, aan het voorgaande niets af (vergelijk de uitspraak van 30 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2118). Het college was dan ook bevoegd de bijstand met ingang van

3 januari 2013 in te trekken. Tegen de terugvordering heeft appellante geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd, zodat deze geen bespreking behoeft.


4.3.

Uit 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten betstaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2015.




(getekend) M. Hillen




(getekend) C. Moustaïne




HD