Centrale Raad van Beroep, 28-10-2015 / 12/5276 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:3741

Inhoudsindicatie
Ongelijke behandeling toepassing artikel 4, tweede lid, Inkomensbesluit van IVA-uitkering na verkorte wachttijd en IVA-uitkering zonder wachttijd.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-28
Publicatiedatum
2015-10-29
Zaaknummer
12/5276 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • NJB 2015/1967
  • ABkort 2015/380
  • RSV 2015/240
  • USZ 2015/380 met annotatie van A. Wit
  • SZR-Updates.nl 2016-0372 met annotatie van P.S. Fluit
Uitspraak

12/5276 WIA

Datum uitspraak: 28 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 20 augustus 2012, 12/338 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[naam B.V.] te [vestigingsplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[betrokkene] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. Heek hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geschil is op de zitting van 10 september 2014 ter behandeling aan de orde gesteld. Partijen zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

De Raad heeft het onderzoek heropend.

Het Uwv heeft een vraag van de Raad beantwoord.

Partijen hebben toestemming gegeven om een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten. Hierop heeft de Raad het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN


1.1.

Op 20 augustus 2007 heeft betrokkene, werkzaam als gloeier/richter in dienst van appellante, zich ziek gemeld vanwege migraine. Met ingang van 1 januari 2009 is betrokkene in het kader van zijn re-integratie begonnen met werkzaamheden als heftruckchauffeur. Appellante heeft het loon van betrokkene gedurende 104 weken doorbetaald. Op 30 juli 2009 hebben appellante en betrokkene een nieuwe arbeidsovereenkomst gesloten, op grond waarvan betrokkene met ingang van 1 augustus 2009 de functie van Medewerker Finishing Department 2 (heftruckchauffeur) is gaan vervullen.


1.2.

Bij besluit van 23 juni 2009 heeft het Uwv afwijzend beslist op de aanvraag van betrokkene om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) met ingang van 17 augustus 2009, omdat hij per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt was.


1.3.

Op 7 januari 2010 heeft betrokkene zich opnieuw ziek gemeld in verband met migraine. Na een beoordeling door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige heeft het Uwv betrokkene met ingang van 7 januari 2010 een uitkering in verband met werkhervatting gedeeltelijk arbeidsongeschikten (WGA) toegekend, waarbij het arbeidsongeschiktheidspercentage is bepaald op 100. Het Uwv heeft het loon dat appellante volgens hem na 7 januari 2010 aan betrokkene moest doorbetalen, in mindering gebracht op de WGA-uitkering. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit, omdat het Uwv er volgens haar ten onrechte vanuit is gegaan dat zij verplicht was om wederom gedurende 104 weken het loon van betrokkene door te betalen. Het Uwv heeft dit bezwaar bij beslissing op bezwaar van 11 oktober 2010 ongegrond verklaard.


1.4.

Op 23 januari 2012 heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 11 oktober 2010 ongegrond verklaard. Voor zover van belang heeft de rechtbank in die uitspraak overwogen dat de bedongen arbeid van betrokkene met ingang van 1 augustus 2009 is gewijzigd, zodat een nieuwe loondoorbetalingsverplichting over een periode van 104 weken is gaan gelden. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.

2. Op 4 mei 2011 heeft betrokkene zich toegenomen arbeidsongeschikt gemeld en een uitkering op grond van de inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA) geclaimd. Na een aanvankelijke weigering hiervan heeft het Uwv de WGA-uitkering van betrokkene bij beslissing op bezwaar van 31 januari 2012 (bestreden besluit) met ingang van 4 mei 2011 omgezet in een IVA-uitkering, omdat er geen behandelopties meer waren en geen kans op herstel. De verwachting was dat de medische situatie voor betrokkene op langere termijn niet zou verbeteren. Omdat de periode van 104 weken loondoorbetaling nog niet was verstreken, heeft het Uwv het over de resterende periode nog door te betalen loon in mindering gebracht op de uit te betalen IVA-uitkering. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit, waarbij zij wederom heeft betoogd dat het Uwv ten onrechte heeft aangenomen dat voor haar een tweede periode van 104 weken loondoorbetalingsverplichting is ontstaan.


3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft in die uitspraak overwogen geen reden te zien om met betrekking tot de loondoorbetalingsverplichting van 104 weken tot een ander oordeel te komen dan in haar uitspraak van 23 januari 2012. De rechtbank is verder tot het oordeel gekomen dat het Uwv een juiste toepassing heeft gegeven aan het Inkomensbesluit Wet WIA (Inkomensbesluit), dat van een uitzonderingssituatie, zoals genoemd in artikel 4, tweede lid, van het Inkomensbesluit geen sprake is, omdat die uitzondering alleen geldt ten aanzien van een door een werknemer gevraagde verkorting van de wachttijd en dat de door appellante genoemde uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 juni 2001, ECLI:NL:RBROT:2012:BW8435, niet tot een ander oordeel kan leiden.


4.1.

Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt herhaald dat geen nieuwe loondoorbetalingsverplichting is ontstaan. Zij heeft betoogd dat zij niet verplicht kan worden om voor de tweede maal het loon van betrokkene gedurende 104 weken door te betalen. Met name omdat betrokkene volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en hem een IVA-uitkering is toegekend, past het opleggen van een nieuwe loondoorbetalingsverplichting volgens appellante niet in het systeem van de Wet WIA. Zij meent dat de IVA-uitkering vanaf 4 mei 2011 volledig tot uitbetaling moet komen.


4.2.

Het Uwv heeft naar voren gebracht dat de uitspraak van de rechtbank van 23 januari 2012 onherroepelijk is geworden, zodat de vraag of een nieuwe loondoorbetalingsverplichting is ontstaan niet meer aan de orde kan komen. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.


5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


5.1.

Voor een weergave van de toepasselijke wettelijke bepalingen wordt verwezen naar overweging 8 van de aangevallen uitspraak. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.


5.2.

Op grond van artikel 52, eerste en vierde lid, van de Wet WIA wordt inkomen uit arbeid in mindering gebracht op de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Met betrekking tot het begrip ‘inkomen’ zijn nadere regels gesteld in het Inkomensbesluit, zoals dat ten tijde hier van belang gold. Op grond van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van het Inkomensbesluit wordt loon voor de toepassing van artikel 52, vierde lid, van de Wet WIA beschouwd als inkomen uit arbeid. Op grond van artikel 4, tweede lid, van het Inkomensbesluit wordt geen rekening gehouden met loon dat door de werkgever wordt betaald indien sprake is van een verkorte wachttijd als bedoeld in artikel 23, zesde lid, van de Wet WIA. In dat artikellid is bepaald, voor zover van belang, dat het Uwv op aanvraag van de verzekerde een verkorte wachttijd vaststelt indien de verzekerde volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Wet WIA.


5.3.

De Raad stelt vast dat geen hoger beroep is ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 23 januari 2012, zodat die uitspraak gezag van gewijsde heeft gekregen. Nu deze uitspraak tussen partijen in dezelfde rechtsbetrekking is gegeven, staat tussen partijen vast dat een nieuwe loondoorbetalingsverplichting is ingetreden en dat het Uwv met de aanspraak op loon uit arbeid door betrokkene met de vaststelling van de hoogte van diens Wet WIA-uitkering terecht rekening heeft gehouden. Aan de uit het Burgerlijk Wetboek (BW) voortvloeiende verplichting is geen einde gekomen door omzetting van de WGA-uitkering in een IVA-uitkering. Het BW bevat een daartoe strekkende bepaling niet.


5.4.1.

De vraag doet zich vervolgens voor of ook in de hier voorliggende situatie, waarin tijdens de tweede loondoorbetalingsperiode volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid is ontstaan en een IVA-uitkering is toegekend zonder wachttijd, de IVA-uitkering prevaleert boven de loondoorbetaling.


5.4.2.

De in artikel 4, tweede lid, van het Inkomensbesluit genoemde uitzondering op het uitgangspunt dat de loondoorbetaling prevaleert boven de IVA-uitkering, is beperkt tot situaties waarin een IVA-uitkering is toegekend nadat met toepassing van artikel 23, zesde lid, van de Wet WIA de wachttijd is verkort. Appellante meent dat de situatie waarin een IVA-uitkering is toegekend zonder wachttijd rechtens en feitelijk gelijk is aan de in artikel 4, tweede lid, van het Inkomensbesluit omschreven situatie, zodat ook dan aanleiding bestaat om de IVA-uitkering te laten prevaleren boven de loondoorbetaling.


5.4.3.

Niet in geschil is dat toepassing van artikel 4, tweede lid, van het Inkomensbesluit leidt tot ongelijke behandeling, nu de daarin neergelegde uitzondering slechts bij een bepaalde groep volledig en duurzaam arbeidsongeschikte verzekerden geldt. De vraag die voorligt is, of daarmee het gelijkheidsbeginsel wordt geschonden.


5.4.4.

In de artikelsgewijze toelichting op genoemd artikellid staat onder meer het volgende:


“De ziekmelding heeft geen invloed op de hoogte van de WIA-uitkering die de betrokkene ontvangt. Deze blijft door toepassing van artikel 4, eerste lid, van dit besluit ongewijzigd. Met andere woorden, loondoorbetaling en ziekengeld prevaleren boven een verhoging van de WIA-uitkering.


Op deze hoofdregel wordt door artikel 4, tweede lid, van dit besluit een uitzondering gemaakt. Ingevolge artikel 23, zesde lid, Wet WIA geldt een verkorte wachttijd als duidelijk is dat de zieke werknemer volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. In dat geval kan de wachttijd voor de IVA-uitkering worden verkort naar ten minste dertien weken. Dit betekent dat de zieke werknemer reeds na die verkorte wachttijd aanspraak heeft op een IVA-uitkering. Daarnaast heeft de werknemer, zolang nog geen 104 weken zijn verstreken, ook aanspraak op loondoorbetaling. Ingevolge voornoemde hoofdregel zou deze prevaleren, waardoor de hoogte van de IVA-uitkering nul zou bedragen. Dit is uiteraard niet de bedoeling. Daarom wordt voor deze situatie een uitzondering gemaakt in die zin dat in dit geval de IVA-uitkering prevaleert boven de loondoorbetaling. Ingevolge artikel 7:629, vijfde lid, BW kan de werkgever het loon verminderen met deze WIA-uitkering.”


5.4.5.

Uit het oogpunt van de bedoeling van de uitzonderingsbepaling van meergenoemd artikel 4, tweede lid, is niet in te zien dat, vanaf het moment waarop vaststaat dat sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid, voor het laten prevaleren van de IVA-uitkering boven de loondoorbetaling rechtens en feitelijk verschil bestaat tussen de situatie waarin de IVA-uitkering met een verkorte wachttijd is toegekend en de situatie waarin de IVA-uitkering zonder wachttijd is toegekend.


5.4.6.

In de artikelsgewijze toelichting is voor dit onderscheid geen objectieve en redelijke rechtvaardiging te lezen. Ook het Uwv heeft geen rechtvaardiging hiervoor gegeven.


5.4.7.

Uit 5.4.2 tot en met 5.4.6 volgt dat de situatie waarin de IVA-uitkering niet is toegekend met een verkorte wachttijd, maar zonder wachttijd, vanaf het moment van toekenning gelijk behandeld moet worden als de in artikel 4, tweede lid, van het Inkomensbesluit, omschreven situatie.


5.5.

Dit betekent dat vanaf 4 mei 2011 de IVA-uitkering prevaleerde boven de loondoorbetaling. Voor zover het bestreden besluit ertoe strekt om met ingang van 4 mei 2011 het door appellante doorbetaalde loon in mindering te brengen op de IVA-uitkering komt dat besluit wegens strijd met artikel 4, tweede lid, van het Inkomensbesluit voor vernietiging in aanmerking, evenals de aangevallen uitspraak waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten.


5.6.

Het hoger beroep slaagt. Het Uwv zal worden veroordeeld tot het vergoeden aan appellante van wettelijke rente over het door haar ten onrechte betaalde gedeelte van het loon, een en ander als neergelegd in de uitspraak van de Raad van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.


6. Er is voorts aanleiding om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten aan appellante. Deze worden begroot op € 980,- in beroep en op € 490,- in hoger beroep aan kosten voor rechtsbijstand. Van voor vergoeding in aanmerking komende kosten van betrokkene is niet gebleken.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • - verklaart het beroep tegen het besluit van 31 januari 2012 gegrond voor zover het Uwv loon vanaf 4 mei 2011 in mindering heeft gebracht op de IVA-uitkering en vernietigt dat besluit in zoverre;
  • - veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.470,-;
  • - wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente toe op de wijze als omschreven in overweging 5.6;
  • - bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 157,- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en B.M. van Dun en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2015.




(getekend) J.S. van der Kolk




(getekend) R.L. Rijnen




NW