Centrale Raad van Beroep, 23-10-2015 / 12/1924 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:3748

Inhoudsindicatie
Geen recht op een uitkering op grond van de Wet WIA. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn met ruim zeven maanden in de rechterlijke fase.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-23
Publicatiedatum
2015-10-29
Zaaknummer
12/1924 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

12/1924 WIA

Datum uitspraak: 23 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 20 februari 2012, 11/972 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft J.R. Beukema hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Gemachtigde van appellant heeft twee expertise-rapporten ingebracht van psychiater

W.H.J. Mutsaers van 7 september 2012 en van 28 mei 2013. Het Uwv heeft hierop zijn zienswijze gegeven en daarbij een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van

12 augustus 2013 ingezonden.

Bij brief van 20 november 2013 heeft gemachtigde van appellant een expertise-rapport van neuroloog J.U.R. Niewold van 7 november 2013 ingezonden. Met een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 28 november 2013 heeft het Uwv op dat rapport gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door Beukema. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong.

Vervolgens is het onderzoek heropend.

De Raad heeft de neuroloog drs. P.R. Schiphof als deskundige benoemd. Deze deskundige heeft op 25 juli 2014 rapport uitgebracht.

Partijen hebben op het rapport van drs. Schiphof gereageerd. Namens appellant is een reactie van Niewold van 9 oktober 2014 ingezonden.

Bij brief van 5 december 2014 heeft drs. Schiphof desgevraagd gereageerd op de brief van gemachtigde van appellant van 13 oktober 2014 en de reactie van Niewold van 9 oktober 2014 en zijn eerdere conclusies onverkort gehandhaafd.

Op 20 januari 2015 en 13 maart 2015 heeft gemachtigde van appellant nadere brieven ingezonden. Bij brief van 3 augustus 2015 is namens appellant een rapport van Mutsaers van 29 juli 2015 ingezonden. Het Uwv heeft een nadere reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 6 september 2015 ingestuurd.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 11 september 2015. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door Beukema. Namens het Uwv is verschenen mr. A.I. Damsma.

Naar aanleiding van het verzoek van appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter heeft de Raad de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) mede als partij aangemerkt.

OVERWEGINGEN


1.1.

Met ingang van 8 september 2008 heeft appellant zich ziek gemeld voor zijn werk van productiemedewerker bij een uitzendbureau in verband met lichamelijke en psychische klachten na een ongeval. Naar aanleiding van een aanvraag om uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft de verzekeringsarts na een medisch onderzoek, waarbij tevens informatie van Multidisciplinair behandelcentrum Groningen (DBC) is meegewogen, beperkingen vastgesteld voor appellant en deze neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 7 juli 2010. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige passende functies geselecteerd, tot het vervullen waarvan appellant in staat is geacht. Bij besluit van 13 augustus 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet WIA, omdat hij per 6 september 2010 minder dan 35% arbeidsongeschikt is.


1.2.

Op 22 september 2010 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het besluit van 13 augustus 2010. In bezwaar heeft appellant onder meer aangevoerd dat het oordeel van de verzekeringsarts in strijd is met het in artikel 4 Schattingsbesluit genoemde objectiveringsvereiste en dat met name de pijn- en de vermoeidheidsklachten en daaruit voortvloeiende cognitieve klachten niet serieus genomen zijn. Verder is de geschiktheid voor de geselecteerde functies bestreden. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant een expertiserapport ingebracht van neuropsycholoog drs. G. Kraaijenbrink van 14 maart 2011. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aanleiding gezien de vastgestelde belastbaarheid te wijzigen, door een toelichting te geven op aspect 4.11 en appellant meer beperkt te achten op aspect 4.17 (hoofdbewegingen maken). De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft met inachtneming van de op 1 augustus 2011 vastgestelde FML een van de geselecteerde functies laten vervallen en de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 14%. Bij besluit van 2 augustus 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat appellant zijn stelling dat de verzekeringsarts (bezwaar en beroep) in strijd heeft gehandeld met het protocol Whiplash, de Standaard Verminderde Arbeidsduur en het Schattingsbesluit onvoldoende heeft geconcretiseerd. Naar het oordeel van de rechtbank is een verzekeringsarts volgens bestendige rechtspraak van de Raad niet gehouden om elk punt van het protocol te benoemen. De protocollen zijn bedoeld als hulpmiddel voor de verzekeringsgeneeskundige beoordeling. Bovendien heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de protocollen onmiskenbaar gevolgd. De rechtbank acht het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig en heeft in dat kader overwogen dat de cognitieve en moeheidsklachten van appellant wel bij de beoordeling zijn betrokken, nu de verzekeringsarts bezwaar en beroep het door appellant overgelegde neuropsychologisch rapport kenbaar bij de heroverweging heeft meegewogen.


3.1.

Appellant heeft in hoger beroep zijn eerdere gronden in essentie herhaald. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft psychiater W.H.J. Mutsaers op verzoek van gemachtigde van appellant een expertise verricht. In de rapporten van 7 september 2012 en

28 mei 2013 onderschrijft Mutsaers wat betreft de klachten van misselijkheid en overgeven de opmerking van Kraaijenbrink, dat bij appellant sprake is van overgevoeligheid voor licht, kleur en geluid. Het is volgens Mutsaers aan een neuroloog om vast te stellen of hier een neurologische verklaring voor te vinden is. Verder heeft Mutsaers de diagnose agorafobie zonder paniekstoornis gesteld. Om die reden acht hij aanpassing van de FML aangewezen op de punten concentratie in drukke situaties en verdelen van aandacht. Verder is onder meer gesteld dat appellant niet zelfstandig met het openbaar vervoer kan reizen. Vervolgens heeft neuroloog J.U.R. Niewold op verzoek van appellant een expertise verricht en in zijn rapport van 7 november 2013 onder meer de door Mutsaers en de verzekeringsarts bezwaar en beroep benoemde inconsistenties in het verhaal van appellant weersproken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de overgelegde informatie geen aanleiding gezien zijn standpunt te herzien.


3.2.

Op verzoek van de Raad heeft neuroloog P.R. Schiphof een expertise verricht en de Raad op 25 juli 2014 van verslag en advies gediend. In zijn rapport komt Schiphof tot de conclusie dat er buitengewoon weinig aanknopingspunten zijn om zelfs een lichte hersenschudding aan te nemen na het ongeval van 8 september 2008. Verder vindt Schiphof geen aanwijzingen dat de overgevoeligheid voor licht een neurologische oorsprong heeft. Schiphof acht aannemelijk dat de overgevoeligheid van appellant voor licht en kleuren een kwestie is van conditionering zonder onderliggend lichamelijk en psychisch gebrek. Schiphof komt tot de conclusie dat sprake is van cervicogene en door analgetica-misbruik bepaalde hoofdpijn, waarbij hij benadrukt dat de overgevoeligheid voor bepaalde in het dagelijkse leven gangbare visuele prikkels dient te worden beschouwd als uiting van negatieve conditionering en dus een gedragsprobleem is en niet een ziekte of gebrek. Schiphof heeft de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgestelde belastbaarheid volledig onderschreven en acht appellant vanuit zijn discipline in staat de hem voorgehouden functies te vervullen.


3.3.

Appellant heeft zich niet met het rapport van Schiphof kunnen verenigen en in dat verband een nadere reactie van Niewold van 13 oktober 2014 overgelegd. Schiphof heeft desgevraagd bij rapport van 5 december 2014 gemotiveerd te kennen gegeven zijn eerdere conclusies onverkort te handhaven. Appellant heeft erop gewezen dat ziekte of gebrek impliceert dat sprake is van verlies of vermindering van autonomie en dat gedrag een bewust handelen impliceert. Van dat laatste is bij appellant geen sprake. Bij brief van 3 augustus 2015 heeft appellant een nadere reactie van Mutsaers van 29 juli 2015 in geding gebracht. Deze acht, bij het uitblijven van een soma-neurologische verklaring voor de overgevoeligheid van licht, wat betreft de diagnostiek argumenten aanwezig om aan te sluiten bij de psychiatrie. Mutsaers spreekt van een conversiestoornis. Het Uwv heeft een reactie gegeven bij rapport van 6 september 2015.


4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.2.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter de conclusies van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige kan volgen indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het uitgebrachte deskundigenrapport van Schiphof geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Wat betreft de overgevoeligheid van appellant voor licht, kleur en geluid heeft de door appellant geraadpleegde psychiater Mutsaers in zijn rapport van 28 mei 2013 voor een verklaring van die klachten verwezen naar een neuroloog. De door de Raad ingeschakelde deskundige neuroloog Schiphof heeft hierover gezegd dat er geen neurologische verklaring voor de klachten gegeven kan worden en dat die overgevoeligheid als gedrags-bepaald moet worden aangemerkt. De Raad volgt appellant dan ook niet in zijn conclusie dat de klachten voortkomen uit de conversieproblematiek als gevolg van ziekte of gebrek te duiden zouden zijn. Het rapport van Mutsaers van 3 augustus 2015 maakt dit niet anders, nu Mutsaers in mei 2013 vanuit zijn vakgebied geen verklaring voor de geuite klachten kon geven en daarvoor nu juist een neurologisch onderzoek aangewezen achtte. Wat betreft de angstklachten voor bepaalde ruimtes wordt het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 12 augustus 2013 onderschreven, waarin is aangegeven dat de door Mutsaers gestelde angstklachten voor zowel grote als kleine ruimtes niet overeenstemmen met de door appellant jegens de verzekeringsartsen geuite klachten. Appellant heeft immers niet gesproken over angst voor kleine ruimtes en er is blijkens het dagverhaal geen sprake van het mijden van grote ruimtes, omdat appellant dergelijke plekken, zoals grote winkels en de markt, wel bezoekt. De Raad ziet dan ook in hetgeen appellant heeft aangevoerd en de door hem overgelegde rapporten geen reden het rapport en de conclusies van Schiphof niet te volgen en onderschrijft diens oordeel dat in de FML van 1 augustus 2011 voldoende rekening is gehouden met de beperkingen van appellant. Hieruit vloeit voort dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag berust.


4.3.

Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit geldt dat Schiphof vanuit zijn vakgebied geen belemmeringen heeft aangegeven voor het vervullen van de voorgehouden functies. Nu er ook overigens geen aanknopingspunten zijn voor het standpunt dat de belasting van de resterende drie functies niet binnen de voor appellant toegestane belastbaarheid blijft, komt de Raad tot de conclusie dat de aan de schatting ten grondslag liggende functies terecht als voor appellant passend zijn aangemerkt.

4.4.

Gelet op het overwogene onder 4.1, 4.2 en 4.3 komt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit ook op een deugdelijke arbeidskundige grondslag is gebaseerd en dat het hoger beroep niet slaagt.

4.5.

Appellant heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4.6.

De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (Raad 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen.

4.7.

Vanaf de ontvangst door het Uwv op 23 september 2010 van het bezwaarschrift van appellant tot de datum van deze uitspraak zijn vijf jaar en een maand verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het Uwv ruim tien maanden geduurd. De overschrijding van de redelijke termijn in de bestuurlijke fase bedraagt daarmee ruim vier maanden. Vanaf de ontvangst door de rechtbank op 13 september 2011 van het beroepschrift van appellant heeft de behandeling van het beroep door de rechtbank ruim vijf maanden geduurd. De behandeling van het hoger beroep heeft vanaf de ontvangst door de Raad op

5 april 2012 van het hoger beroepschrift van appellant tot de datum van deze uitspraak drie jaar en ruim zes maanden geduurd. De procedure in de rechterlijke fase heeft in totaal vier jaar en ruim een maand geduurd. Er bestaat geen aanleiding de redelijke termijn voor deze procedure in de rechterlijke fase op meer dan drie en een half jaar te stellen. Dit resulteert in een overschrijding van de redelijke termijn door de rechter met ruim zeven maanden.


4.8.

Dit leidt - gelet op de rechtspraak van de Raad dat een vergoeding van

€ 500,- per overschrijding met een half jaar of een deel daarvan wegens immateriële schade gepast is - tot een veroordeling tot schadevergoeding van € 500,- vanwege overschrijding van de termijn in de bestuurlijke fase, te betalen door het Uwv aan appellant. Vanwege de overschrijding van de redelijke termijn met ruim zeven maanden in de rechterlijke fase wordt de Staat veroordeeld tot vergoeding van € 1.000,-, te betalen aan appellant.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.000,-;

- veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellant van vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,-.



Deze uitspraak is gedaan door G. van Zeben-de Vries als voorzitter en L. Koper en

H.O. Kerkmeester als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2015.




(getekend) G.van Zeben-de Vries




(getekend) W. de Braal



UM