Centrale Raad van Beroep, 14-10-2015 / 13/6888 WMO


ECLI:NL:CRVB:2015:3749

Inhoudsindicatie
Passeren motiveringsgebrek in het bestreden besluit.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-14
Publicatiedatum
2015-10-28
Zaaknummer
13/6888 WMO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6888 WMO

Datum uitspraak: 14 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

12 december 2013, 13/2442 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.G. Fischer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juli 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Fischer, mr. J. Sprakel en mr. J. Klaas. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door N. Oepkes, E.J.W. Bruinsma en J. Braat.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante, geboren [in] 1974, is van Tibetaanse afkomst. Appellante heeft een aanvraag om een verblijfsvergunning gedaan, maar deze is afgewezen. Het door appellante hiertegen ingestelde beroep is door de rechtbank ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in zijn uitspraak van 1 februari 2013, 201100870/1/V3, die uitspraak vernietigd, het beroep en het hoger beroep van appellante gegrond verklaard en het besluit, waarbij de aanvraag om een verblijfsvergunning was afgewezen, vernietigd.


1.2.

Op 6 juli 2012 heeft appellante bij het college een aanvraag ingediend voor onder meer maatschappelijke opvang als bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Bij besluit van 31 oktober 2012 heeft het college deze aanvraag afgewezen.


1.3.

Bij besluit van 22 april 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 31 oktober 2012 ongegrond verklaard. Hierbij heeft het college overwogen dat appellante op grond van de artikelen 10 en 11 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) geen beroep kan doen op de in de Wmo genoemde voorzieningen. Op grond van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) komt appellante evenmin in aanmerking voor maatschappelijke opvang als bedoeld in de Wmo, nu niet is gebleken dat ze tot de categorie van kwetsbare personen kan worden aangemerkt die gezien artikel 8 van het EVRM in het bijzonder recht heeft op bescherming van het privé- en gezinsleven.


1.4.

Bij besluit van 16 april 2013 heeft het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) een eerder besluit van 7 februari 2013, waarin een verzoek van appellante om opvang werd afgewezen, ingetrokken. Hiermee is appellante toegelaten tot de opvangvoorzieningen van het COa, waar zij met ingang van 6 februari 2013 al gebruik van maakte.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hierbij overwogen dat appellante op grond van de artikelen 10 en 11 van de Vw 2000 geen aanspraak kan maken op toelating tot de maatschappelijke opvang op grond van de Wmo, dan wel op leefgeld om zelf in opvang te kunnen voorzien. De rechtbank is van oordeel dat de weigering van het college niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Hierbij heeft de rechtbank van belang geacht dat appellante, gedurende de periode van de aanvraag op 6 juli 2012 tot het moment waarop ze gebruik ging maken van de opvangvoorzieningen van het COa op 6 februari 2013, onderdak heeft gehad bij particulieren en dat ze geen schulden heeft gemaakt om in haar levensonderhoud te voorzien.


3. Bij besluit onder 11 augustus 2014 heeft de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (staatssecretaris) appellante een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend, als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000, voor de periode van 28 oktober 2009 tot 28 oktober 2014.


4. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


5.1.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 4 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1884) loopt bij een aanvraag als hier aan de orde de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel van de datum van de aanvraag tot en met de datum van de beslissing op bezwaar. In dit geval betekent dit dat de periode van belang de periode van 6 juli 2012 tot en met 22 april 2013 betreft.


5.2.

Uit het bij 3 genoemde besluit van de staatssecretaris volgt dat appellante ten tijde hier van belang alsnog over rechtmatig verblijf in Nederland beschikte. Dit betekent dat de artikelen 10 en 11 van de Vw 2000 niet aan toelating tot de maatschappelijke opvang op grond van de Wmo in de weg kunnen staan. Ook is in dat geval niet van belang of appellante behoorde tot de groep van kwetsbare personen als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Het bestreden besluit is in zoverre ondeugdelijk gemotiveerd. Dit neemt niet weg dat de afwijzing van de aanvraag, gelet op wat hierna wordt overwogen, in stand kan blijven.


5.3.

Appellante heeft gedurende de hier van belang zijnde periode de beschikking gehad over een slaapplek in de woning van [X.], aan de [straat], te [Z.] en ze heeft kunnen verblijven op een of meerdere adressen binnen de Tibetaanse gemeenschap. Voorts is ze vanaf 6 februari 2013 door het COa opgevangen. Er was derhalve geen sprake van een situatie van dakloosheid of concrete dreiging van dakloosheid bij appellante als gevolg waarvan het college appellante had dienen op te vangen.


5.4.

De Raad zal het motiveringsgebrek dat aan het bestreden besluit kleeft passeren met artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht, aangezien niet aannemelijk is dat appellante daardoor is benadeeld.


5.5.

Voor zover appellante beoogt met het verzoek om leefgeld alsnog te kunnen beschikken over een bedrag om in de gemaakte noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, is van belang dat appellante door de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht in het kader van de Wet werk en bijstand (WWB) niet langer tegengeworpen kan worden dat zij op grond van artikel 11, tweede lid, van de WWB niet gelijkgesteld kan worden met een Nederlander als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 26 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR3551) geldt bij een aanvraag om een uitkering ingevolge de WWB het uitgangspunt, dat in beginsel geen bijstand met terugwerkende kracht wordt verleend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Van zodanige bijzondere omstandigheden kan sprake zijn indien aan een vreemdeling met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning wordt verleend en hij aannemelijk maakt dat hij niet in de noodzakelijke kosten van het bestaan heeft kunnen voorzien. Het complementaire karakter van de WWB brengt mee dat betrokkene dan aannemelijk dient te maken dat derden feitelijk in die kosten hebben voorzien en hij om die reden een reële schuld met een daadwerkelijke, concrete terugbetalingsverplichting is aangegaan, alsmede dat, indien hij hierin slaagt, de bijstandsverlening beperkt dient te blijven tot de hoogte van die reële schuld. Gelet op deze rechtspraak ligt het in de rede dat voor het gevraagde leefgeld een aanvraag op grond van de WWB wordt gedaan.


5.6.

Gelet op hetgeen is overwogen onder 5.1 tot en met 5.5 slaagt het hoger beroep niet, zodat de aangevallen uitspraak, met verbetering van gronden, voor bevestiging in aanmerking komt.


6. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 980,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 980,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.960,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.960,-;

- bepaalt dat het college het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 162,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en J. Brand en R.P.T. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2015.




(getekend) H.J. de Mooij




(getekend) W. de Braal




AP