Centrale Raad van Beroep, 29-10-2015 / 14/1692 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:3773

Inhoudsindicatie
Een verzoek om herziening van een onherroepelijk geworden uitspraak wordt beoordeeld op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. Wat verzoekster aan dit verzoek om herziening ten grondslag heeft gelegd, is geen feit of omstandigheid als bedoeld in dat artikel. Afwijzing verzoek.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-29
Publicatiedatum
2015-10-30
Zaaknummer
14/1692 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/1692 AW

Datum uitspraak: 29 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 25 april 2013, 11/5507 AW

Partijen:

[Verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)

het bestuur van de Stichting Openbaar Basis Onderwijs Westelijke Tuinsteden (stichting)

PROCESVERLOOP

Namens verzoekster heeft mr. G.M. van der Lee, advocaat, gevraagd om herziening van de bovenvermelde uitspraak van de Raad.

Namens de stichting heeft mr H.J. Brouwer, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2015. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door mr. R.J. Ouderdorp, advocaat. De stichting heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Brouwer en C.S. [M].

OVERWEGINGEN

1.1.

Verzoekster was werkzaam bij de stichting als [naam functie A] op de [naam school 1] in [plaatsnaam]. Nadat tussen verzoekster en de directeur van deze school een conflict was ontstaan, heeft de stichting bij brief van 10 juni 2008 aan verzoekster meegedeeld dat zij haar werkzaamheden op De [naam school 1] niet kan voortzetten en dat zij zich beschikbaar moet houden voor werkhervatting op een andere locatie. Na diverse vergeefse pogingen om verzoekster het werk te laten hervatten - onder andere op de school voor speciaal basisonderwijs [naam school 2] ([school 2]) - heeft de stichting bij besluit van 28 augustus 2009 verzoekster per 1 september 2009 ontslag verleend wegens gewichtige redenen als bedoeld in artikel 4.7, onder k, van de CAO Primair Onderwijs

(CAO PO). Bij besluit van 21 april 2010 heeft de stichting dit besluit na bezwaar van verzoekster gehandhaafd. De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 12 augustus 2011 het beroep van verzoekster tegen het besluit van 21 april 2010 ongegrond verklaard.


1.2.

Bij de uitspraak van 25 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8754, waarvan thans herziening wordt gevraagd, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

12 augustus 2011 bevestigd. De Raad zag zich in die uitspraak, voor zover van belang, voor de vraag gesteld of de mogelijkheden om verzoekster te herplaatsen per 1 september 2009 waren uitgeput. De Raad heeft die vraag bevestigend beantwoord, waarbij in het bijzonder van belang is geacht dat de stichting aan verzoekster tijdelijk ander werk bij [school 2], ondersteuning bij het vinden van ander werk, twee vacatures bij de [naam school 3] en arbeidsbemiddeling via Bureau Inzet heeft aangeboden.

2. Verzoekster heeft het verzoek om herziening gebaseerd op de stelling dat de stichting onvolledige en onjuiste informatie over haar inzetbaarheid en werkzaamheden in 2008 aan de Raad heeft verstrekt waardoor de Raad in de uitspraak van 25 april 2013 de feiten onjuist heeft vastgesteld en tot een onjuist oordeel over de impasse is gekomen. Verzoekster heeft ter onderbouwing van haar standpunt gewezen op een e-mail van 7 februari 2014 van [M]. Daarin staat dat navraag is gedaan bij de directeur van [school 2] over de inzetbaarheid van verzoekster binnen zijn school, dat verzoekster in de betreffende periode extra was toegevoegd aan [school 2] en dat zij niet heeft meegedraaid conform de functiebeschrijving van een SBO-leerkracht. Volgens verzoekster komt deze informatie niet overeen met wat in het verweerschrift van de stichting van 23 december 2011 is opgenomen, namelijk dat zij bij [school 2] werd geplaatst als leerkracht en werkzaamheden verrichtte die onder de taakomschrijving van leerkracht in de CAO PO vallen.


3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


3.1.

Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.


3.2.

Wat verzoekster aan dit verzoek om herziening ten grondslag heeft gelegd, is geen feit of omstandigheid als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. De door verzoekster overgelegde e-mail van 7 februari 2014 van [M] is opgesteld in het licht van een geschil tussen partijen over de salariëring van verzoekster ten tijde van haar werkzaamheden op

[school 2]. Volgens [M] bestond geen aanleiding om verzoekster voor de door haar verrichte werkzaamheden het salaris van een leerkracht van een SBO toe te kennen, omdat verzoekster “niet heeft meegedraaid conform de functiebeschrijving van een SBO-leerkracht”. Niet valt in te zien dat deze kwalificatie van de werkzaamheden van verzoekster op

[school 2] zouden hebben kunnen leiden tot een andere uitspraak over het onder 1.1 bedoelde ontslag.


3.3.

Uit 3.1 en 3.2 volgt dat het verzoek om herziening moet worden afgewezen.


4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.



Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2015.




(getekend) E.J.M. Heijs




(getekend) S.W. Munneke




HD