Centrale Raad van Beroep, 30-10-2015 / 12/6741 WWAJ


ECLI:NL:CRVB:2015:3775

Inhoudsindicatie
Weigering Wajong-uitkering. Het bestreden besluit is in hoger beroep alsnog van een juiste en deugdelijke medische en arbeidskundige motivering voorzien.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-30
Publicatiedatum
2015-11-03
Zaaknummer
12/6741 WWAJ
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

12/6741 WWAJ

Datum uitspraak: 30 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

8 november 2012, 12/2084 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.J. Wintjes, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 18 maart 2014 heeft het Uwv rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ingediend.

Vervolgens hebben partijen nog stukken overgelegd en over en weer gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft op 18 september 2015 plaatsgevonden. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Wintjes. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante, geboren [in] 1980, heeft op 3 oktober 2012 een (laattijdige) aanvraag ingediend om ondersteuning bij werk en inkomen op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong) zoals deze wet ten tijde hier in geding luidde.


1.2.

Na arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 25 oktober 2011 de aanvraag van appellante afgewezen, omdat er bij appellante na haar achttiende jaar een reële periode is geweest waarin zij meer dan 75% van het maatmaninkomen heeft verdiend.


1.3.

Naar aanleiding van het door appellante gemaakte bezwaar tegen dit besluit, heeft een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geconcludeerd dat appellante gelet op haar dienstverbanden zodanig heeft gefunctioneerd dat zij daarmee in staat is geweest om gedurende een substantiële periode van tenminste zes maanden tenminste 75% van haar maatgevend inkomen te verdienen. Niet is gebleken dat het niet zou gaan om reguliere arbeid en evenmin is gebleken dat zij niet of onvoldoende zou hebben gefunctioneerd.

In overeenstemming met dit rapport heeft het Uwv bij besluit van 2 april 2012 (bestreden besluit) het door appellante tegen het besluit van 25 oktober 2012 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, omdat zij na een periode van tenminste een half jaar na haar achttiende levensjaar in staat was om meer dat 75% van het maatmaninkomen te verdienen.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe vastgesteld dat appellante tussen haar achttiende jaar en datum aanvraag van de Wajong-uitkering gedurende een periode van tenminste een half jaar in staat is geweest om meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen, zodat zij gelet op het bepaalde in artikel 2:15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Wajong geen recht heeft op arbeidsondersteuning. De stelling dat zij in haar baan niet naar behoren heeft gefunctioneerd, is door appellante niet, althans onvoldoende onderbouwd. Tot slot was, in tegenstelling tot wat appellante heeft aangevoerd, het Uwv niet verplicht om, gelet op de uitkomst van het arbeidskundig onderzoek, nog een verzekeringsgeneeskundige onderzoek te laten verrichten.


3.1.

Appellante heeft in hoger beroep onder verwijzing naar de uitspraak van 20 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1816, aangevoerd dat een beoordeling van de vraag of iemand in staat is gebleven om 75% van het maatmaninkomen te verdienen, gebaseerd dient te zijn op een verzekeringsgeneeskundig onderzoek.


3.2.

Naar aanleiding van deze gronden met verwijzing naar de uitspraak van 20 september 2013 zoals genoemd onder 3.1, heeft het Uwv nader onderzoek laten verrichten door een verzekeringsarts bezwaar en beroep, gericht op de gezondheidssituatie van appellante op haar zeventiende en achttiende jaar. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in rapporten van

19 februari 2014 geconcludeerd dat bij appellante op haar zeventiende en achttiende verjaardag sprake is van beperkingen ten aanzien van de belastbaarheid op grond van ziekte of gebrek. Deze beperkingen zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 19 februari 2014. In een rapport van 26 februari 2014 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep op grond van de op 19 februari 2104 vastgestelde FML zeven functies geselecteerd. Op basis van de drie hoogst verlonende functies is de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op minder dan 25%. In overeenstemming met deze rapporten heeft het Uwv bij brief van 18 maart 2014 meegedeeld dat appellante niet is aan te merken als een jonggehandicapte en dat hierom voor haar geen recht bestaat op arbeidsondersteuning en inkomensondersteuning krachtens de Wet Wajong.


3.3.

Appellante heeft aangegeven dat de beperkingen in de FML van 19 februari 2014 onvoldoende tegemoet komen aan haar (psychische) klachten. Uit de beperkingen op de aspecten bij 1.9 in de FML vloeit voort dat appellante vanwege haar psychische klachten ook beperkt dient te worden op de aspecten 1.2 tot en met 1.8. Voorts heeft appellante er op gewezen dat de in het kader van een WSW-aanvraag opgestelde FML niet overeenkomt met de onderhavige FML van 19 februari 2014. In het kader van de WSW-aanvraag is appellante ook op het aspect 1.9.1 van de FML beperkt geacht, terwijl dit niet het geval is in de FML in het kader van de Wet Wajong. Het door de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgestelde begeleidingsniveau 3, acht appellante te licht. Tot slot volgt uit de functieomschrijvingen van de geselecteerde functies onvoldoende dat ter plaatse steeds begeleiding en rechtstreeks toezicht aanwezig is zoals volgens de FML is vereist.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Appellante heeft haar aanvraag na 1 januari 2010 ingediend. De rechtbank heeft het bestreden besluit dan ook terecht beoordeeld aan de hand van de bepalingen van hoofdstuk 2 van de met ingang van 1 januari 2010 geldende Wet Wajong.


4.2.

Onder verwijzing naar de onder 3.1 vermelde uitspraak van 20 september 2013 heeft appellante terecht aangevoerd dat ook in het geval van een laattijdige aanvraag, zoals de onderhavige, in het kader van hoofdstuk 2 van de Wet Wajong, waarbij sprake is van een arbeidsverleden, een verzekeringsgeneeskundig onderzoek dient plaats te vinden. Nu zowel het Uwv als de rechtbank heeft miskend dat een dergelijk verzekeringsgeneeskundig onderzoek was aangewezen, moeten het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak worden vernietigd. De Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep van appellante tegen het bestreden besluit, nu dit niet berust op een deugdelijke motivering, gegrond verklaren en dit besluit vernietigen.


4.3.

Gezien het voorgaande zal worden beoordeeld of er aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. In dit verband wordt het volgende overwogen.


4.4.

Het rapport van 19 februari 2014 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Deze arts heeft een medisch onderzoek ingesteld, waarbij appellante op 13 februari 2014 lichamelijk en psychisch is onderzocht. Voorts heeft hij bij zijn beoordeling de beschikking gehad over informatie uit de behandelend sector (waaronder brieven van verschillende data van Psy-Q). De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport vermeld dat onder de opvallend evenwichtige, zelfverzekerde indruk van appellante op het spreekuur een bepaalde mate van onzekerheid bestaat bij het vinden en behouden van werk. Daartoe zijn hulp en uitleg alsmede begeleiding aangewezen, waarbij de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft opgemerkt dat appellante wel in staat is om eenvoudige, meer routinematige handelingen zelfstandig uit te voeren. De werkzaamheden dienen niet stresserend te zijn en emoties van derden dienen daarbij vermeden te worden. De door deze verzekeringsarts op 19 februari 2014 vastgestelde FML, waarin beperkingen zijn weergegeven die gelden zowel op het zeventiende en achttiende levensjaar, als ook ten tijde van de aanvraag, kan niet voor onjuist worden gehouden. In zijn rapport van 19 februari 2014 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk uiteengezet op welke wijze hij tot de beperkingen is gekomen waarbij informatie van de behandelend sector is betrokken. Appellante heeft haar stelling dat zij meer beperkt is dan aangenomen niet met medische stukken onderbouwd. De Raad ziet dan ook geen aanleiding voor het benoemen van een deskundige.


4.5.

De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft met zijn rapport van 26 februari 2014 in voldoende mate aangetoond dat appellante op basis van de FML van 19 februari 2014 geschikt is te achten voor een zevental theoretische functies. Op basis van de drie hoogstverlonende functies is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van haar achttiende jaar berekend op minder dan 25%. Dit leidt er toe dat appellante op juiste gronden op haar zeventiende en achttiende jaar niet is aangemerkt als jonggehandicapte in de zin van artikel 2:3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Wajong.


4.6.

Gelet op 4.4 en 4.5 wordt vastgesteld, dat het bestreden besluit in hoger beroep alsnog van een juiste en deugdelijke medische en arbeidskundige motivering is voorzien. Daarom bestaat aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.


5. Er is aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 980,- in beroep en op € 1.470,- in hoger beroep. Voor het toekennen van vergoeding van overig geclaimde kosten ziet de Raad geen aanleiding.










BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • - verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van april 2012;
  • - bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
  • - veroordeelt het Uwv tot vergoeding van de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep, in totaal een bedrag van € 2.450,-;
  • - bepaalt dat het Uwv het door appellante betaalde griffierecht in beroep en in hoger beroep van in totaal € 157,- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en H. van Leeuwen en L. Koper als leden, in tegenwoordigheid van C.C. de Kluiver als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2015.




(getekend) J.W. Schuttel




(getekend) C.C. de Kluiver



AP