Centrale Raad van Beroep, 09-10-2015 / 13/1798 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:3779

Inhoudsindicatie
De tegen besluit 1 aangevoerde gronden hebben ook betrekking op het bestreden besluit 2. Besluit 2 ziet onmiskenbaar op de wettelijke rente over de nabetaling van 2010. Aanvang beslistermijn is met ingang van de dag waarop het Uwv geacht kan worden kennis te hebben gekregen van de aan hem toegezonden jaaropgave, dus met ingang van 26 februari 2011. Nu partijen in onderlinge overeenstemming zijn afgeweken van het wettelijke stelsel, moet de beslissing omtrent de jaarlijks achteraf ineens na te betalen uitkering worden aangemerkt als een beslissing op een verzoek tot eenmalige vaststelling en betaling van de uitkering. Van toepassing zijn dan artikel 4:13, tweede lid, van de Awb en artikel 4:102 van de Awb in samenhang met artikel 4:87, eerste lid, van de Awb. De wettelijke rente over het na te betalen bedrag aan uitkering over 2010 dient dus te worden berekend met ingang van 14 weken, 8 plus respectievelijk 6 weken.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-09
Publicatiedatum
2015-11-03
Zaaknummer
13/1798 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • ABkort 2015/383
  • JB 2015/219
  • USZ 2015/421
Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

27 februari 2013, 12/10854 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en daarbij een nieuwe beslissing op bezwaar van 16 mei 2013 ingezonden, met het verzoek die te betrekken in deze procedure.

Door appellant zijn nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2015. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.F. Bär.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is zelfstandig ondernemer en ontvangt een IVA-uitkering op grond van de

Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). In verband met te verwachten winst uit onderneming heeft appellant het Uwv verzocht de maandelijkse betaling van zijn uitkering te beëindigen en pas na afloop van het kalenderjaar te beoordelen of hij recht heeft op uitkering. Appellant heeft het Uwv op 25 februari 2011 het jaarrapport over 2010 toegestuurd. Het Uwv heeft eerst na ontvangst van de definitieve aanslag van de belastingdienst het recht op

IVA-uitkering vastgesteld.


1.2.

Bij besluit van 1 mei 2012 is vastgesteld dat appellant over de periode van 1 januari 2010 tot 1 januari 2011 recht heeft op een nabetaling van € 17.298,13. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft appellant ingetrokken.


1.3.

Bij besluit van 3 mei 2012 heeft appellant een betalingsspecificatie ontvangen. Daarin is opgenomen een beslissing over de betaling van de wettelijke rente over de periode van

1 januari 2010 tot en met 31 mei 2011 van € 38,29.


1.4.

Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt, omdat volgens hem niet duidelijk was of de vergoeding van de wettelijke rente zag op de nabetaling over 2009 of over 2010. Verder heeft appellant de hoogte van de wettelijke rente betwist.


1.5.

Bij beslissing op bezwaar van 19 november 2012 (bestreden besluit 1) is het bezwaar tegen het besluit van 3 mei 2012 gegrond verklaard en is de hoogte van de vergoeding van de wettelijke rente bepaald op € 267,17. Hieraan is ten grondslag gelegd dat de vergoeding van de wettelijke rente verband houdt met de nabetaling over 2010 en dat de Belastingdienst de benodigde financiële informatie op 3 november 2011 aan het Uwv heeft toegezonden. Rekening houdende met een redelijke termijn van acht weken waarbinnen een beslissing genomen had moeten worden en een betalingstermijn van zes weken, betekent dit een uiterlijke betaaldatum van 3 februari 2012 en is de wettelijke rente overeenkomstig vastgesteld.


2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard, onder overweging dat de vergoeding van de wettelijke rente in verband met de nabetaling over 2010 op juiste wijze is vastgesteld. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv terecht heeft gewacht op de definitieve aanslag van de Belastingdienst, aangezien deze gegevens nodig zijn om de juiste hoogte van de IVA-uitkering te kunnen bepalen en daarvoor niet kan worden volstaan met de aangifte over 2010. Voor zover appellant heeft betoogd dat de wettelijke rente over 2009 nog aan hem moet worden betaald, heeft de rechtbank overwogen dat dit in deze procedure geen rol kan spelen.


3.1.

In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat het Uwv ten onrechte pas in het bestreden besluit 1 duidelijk heeft gemaakt dat de vergoeding van wettelijke rente ziet op de nabetaling over 2010. Volgens appellant is dit bovendien onjuist en ziet de vergoeding op grond van de door hem aangedragen gegevens op de nabetaling over 2009. Verder is aangevoerd dat de beslistermijn van acht weken niet is gaan lopen na ontvangst van de definitieve aanslag van de Belastingdienst, maar na ontvangst van het door hem ingezonden jaarrapport. Tot slot is betoogd dat het Uwv ten onrechte uitgaat van een betalingstermijn van zes weken en dat om die redenen het bedrag aan wettelijke rente niet juist is.


3.2.

Bij beslissing op bezwaar van 16 mei 2013 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv de vergoeding van de wettelijke rente over de nabetaling van de uitkering waarop appellant in 2010 recht had, nader bepaald op € 364,05. Het Uwv heeft zijn eerdere standpunt gewijzigd omdat gebleken is dat het de financiële gegevens van de Belastingdienst eerder heeft ontvangen, namelijk al op 29 september 2011. Rekening houdende met een beslistermijn van acht weken en een betaaltermijn van zes weken, is volgens het Uwv vanaf 5 januari 2012 wettelijke rente verschuldigd.


3.3.

Het bestreden besluit 2 is met toepassing van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) betrokken in deze procedure.


4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.2.

Nu het bestreden besluit 1 door het Uwv is ingetrokken omdat het rechtens niet kon standhouden, slaagt het hoger beroep en moet de aangevallen uitspraak worden vernietigd.


4.3.

Omdat appellant tegen het bestreden besluit 2 geen zelfstandige gronden heeft aangevoerd en dit besluit, afgezien van de feitelijke datum waarop door het Uwv gegevens van de Belastingdienst zijn ontvangen, geheel in het verlengde ligt van het bestreden besluit 1, wordt ervan uitgegaan dat de tegen dat besluit aangevoerde gronden ook betrekking hebben op het bestreden besluit 2.


4.4.

Het bestreden besluit 2 ziet onmiskenbaar op de wettelijke rente die verschuldigd is over de nabetaling van de uitkering waarop appellant in 2010 recht had.


4.5.1.

Partijen verschillen allereerst van mening over de vraag vanaf welke datum de beslistermijn is aangevangen. Partijen hebben afgesproken om in plaats van de wettelijk geregelde betaling van de uitkering per maand, de uitkering ineens per jaar achteraf tot uitbetaling te laten komen. Na afloop van het jaar 2010 heeft appellant zijnerzijds uitvoering gegeven aan die afspraak door op 25 februari 2011 de jaarstukken over 2010 aan het Uwv toe te zenden. Deze toezending moet in het kader van de tussen partijen gemaakte afspraak worden gezien als een onderbouwd verzoek om over te gaan tot betaling van de uitkering, voor zover die tot uitbetaling kan komen. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat partijen hebben beoogd af te spreken dat het Uwv pas tot berekening van de tot uitbetaling komende uitkering zou overgaan nadat de Belastingdienst de aanslag over het jaar 2010 definitief zou hebben vastgesteld en aan het Uwv zou hebben meegedeeld. Evenmin maakt de van het wettelijke regime afwijkende afspraak het noodzakelijk dat het Uwv wacht op de fiscale vaststelling over 2010, terwijl bij het ontbreken van die afspraak de uitkering per maand ook zou zijn uitbetaald zonder dat al zekerheid zou hebben bestaan over de fiscale vaststelling van het bedrijfsresultaat over 2010. Voorts is van belang dat het het Uwv zou hebben vrijgestaan om een op de jaaropgave van appellant gebaseerde beslissing over het na te betalen bedrag te herzien als de definitieve fiscale vaststelling relevante afwijkingen ten opzichte van de jaaropgave zou hebben bevat. Het moet er daarom voor worden gehouden dat de beslistermijn is aangevangen met ingang van de dag waarop het Uwv geacht kan worden kennis te hebben gekregen van de op 25 februari 2011 aan hem toegezonden jaaropgave, dus met ingang van 26 februari 2011.


4.5.2.

Partijen verschillen verder van mening over de vraag welke beslis- en betaaltermijnen bij de berekening van de wettelijke rente moeten worden gebruikt. Nu partijen in onderlinge overeenstemming zijn afgeweken van het wettelijke stelsel, waarbij ingevolge artikel 67 van de Wet WIA de betaling geschiedt in termijnen van een kalendermaand, moet de beslissing omtrent de jaarlijks achteraf ineens na te betalen uitkering worden aangemerkt als een beslissing op een verzoek tot eenmalige vaststelling en betaling van de uitkering. Ingevolge artikel 4:13, tweede lid, van de Awb geldt daarvoor een beslistermijn van acht weken. Evenzo geldt ingevolge artikel 4:102 van de Awb in samenhang met artikel 4:87, eerste lid, van de Awb een betaaltermijn van zes weken. De wettelijke rente over het na te betalen bedrag aan uitkering over 2010 dient dus te worden berekend met ingang van 14 weken na

26 februari 2011, dus met ingang van 4 juni 2011.


4.6.

Het beroep tegen het bestreden besluit 2 is gegrond en dat besluit moet worden vernietigd. Nu voor een finale beslechting van het geschil slechts het maken van een nadere berekening noodzakelijk is, zal aan het Uwv worden opgedragen nader te beslissen met inachtneming van deze uitspraak.


4.7.

Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Appellant heeft geen gebruik gemaakt van beroepsmatig verleende rechtsbijstand, daarom komt hem op grond van Besluit proceskosten bestuursrecht daarvoor geen vergoeding toe. Wel heeft hij recht op vergoeding van de reiskosten gemaakt in verband met het bijwonen van de zitting van de rechtbank, zijnde de kosten van een reis per openbaar vervoer van Wassenaar naar Den Haag en vice versa ter hoogte van € 5,40. Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten blijkt niet uit het dossier en appellant heeft ze ook niet gespecificeerd.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep, voor zover het is gericht tegen het besluit van 19 november 2012,

gegrond en vernietigt dat besluit;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 16 mei 2013 gegrond en vernietigt dat besluit;

- draagt aan verweerder op een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van appellant, met

inachtneming van het bepaalde in deze uitspraak;

- verstaat dat het Uwv aan appellant het door hem betaalde griffierecht vergoedt, ter hoogte

van € 160,-;

- veroordeelt het Uwv tot vergoeding van de proceskosten van appellant, bepaald op € 5,40.



Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en E.E.V. Lenos en P.H. Banda als leden, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2015.




(getekend) T.L. de Vries




(getekend) K. de Jong



AP