Centrale Raad van Beroep, 15-10-2015 / 14/382 WAJONG


ECLI:NL:CRVB:2015:3782

Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek om met behoud van Wajong-uitkering te mogen verhuizen naar Turkije. Exportverbod. De omstandigheid dat de echtgenoot van appellante een baan heeft aanvaard in Turkije en om die reden, samen met de overige gezinsleden, onder wie appellante, naar Turkije wil verhuizen, kan niet worden aangemerkt als een zwaarwegende reden in de zin van artikel 2, aanhef en onder c, van de Beleidsregels. die Geen reden om toepassing te geven aan de hardheidsclausule.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-15
Publicatiedatum
2015-11-03
Zaaknummer
14/382 WAJONG
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/382 WAJONG

Datum uitspraak: 15 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

11 december 2013, 13/774 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. U. Ugur, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 24 januari 2014 heeft mr. L. Leenders, advocaat, zich als opvolgend gemachtigde gesteld en de gronden van hoger beroep aangevuld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juli 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. K. Aslan, advocaat en kantoorgenoot van mr. Leenders. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. G.A. Telinga.

OVERWEGINGEN

1.1.

Sinds 2001 ontvangt appellante vanwege psychische klachten een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.


1.2.

Bij brief van 18 juli 2011 heeft appellante het Uwv verzocht om met behoud van haar Wajong-uitkering te mogen verhuizen naar Turkije. Bij besluit van 26 juli 2011 heeft het Uwv dit verzoek afgewezen. Bij besluit van 14 juni 2012 heeft het Uwv een soortgelijk verzoek wederom afgewezen.


1.3.

Bij ongedateerd schrijven heeft appellante het Uwv opnieuw verzocht om toestemming om met behoud van haar Wajong-uitkering te mogen verhuizen naar Turkije. Daarbij heeft zij een brief van GGZ-arts E. de Bruijn van 18 juni 2012 overgelegd. Na onderzoek door een verzekeringsarts heeft het Uwv bij besluit van 25 oktober 2012 dit verzoek van appellante opnieuw afgewezen.


1.4.

Appellante heeft tegen het besluit van 25 oktober 2012 bezwaar gemaakt. Tijdens de hoorzitting heeft appellante aangevoerd dat zij met behoud van haar Wajong-uitkering naar Turkije wil verhuizen omdat haar echtgenoot in Turkije een baan heeft aanvaard en daar per 10 januari 2013 in dienst zal treden. Appellante heeft betoogd dat zij voor haar verzorging afhankelijk is van haar echtgenoot en daarom met hem naar Turkije moet verhuizen. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante een brief van GGZ-arts De Bruijn van

21 december 2012 overgelegd.


1.5.

Bij besluit van 1 maart 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 25 oktober 2012 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft zich daarbij, onder verwijzing naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, op het standpunt gesteld dat appellante weliswaar in ieder geval gedeeltelijk voor haar verzorging van haar echtgenoot afhankelijk is, maar dat de reden dat haar echtgenoot buiten Nederland gaat wonen niet zwaarwegend is, nu deze niet objectief en dwingend van aard is, maar in overwegende mate gebaseerd is op zijn eigen keuze. Voorts zijn er volgens het Uwv ook anderszins geen zwaarwegende omstandigheden aanwezig om appellante toestemming te geven om met behoud van haar Wajong-uitkering te verhuizen naar Turkije.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het bestreden besluit getoetst aan artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wajong alsmede aan het zevende lid van die bepaling, in verbinding met artikel 2 van de Beleidsregels voortzetting Wajong-uitkering buiten Nederland (Stcrt. 2 mei 2003, nr. 84, blz. 17, hierna: Beleidsregels). De reden die appellante voor haar verzoek heeft gegeven, de door haar echtgenoot aanvaarde baan in Turkije, vormt naar het oordeel van de rechtbank niet een objectieve dwingende noodzaak om met behoud van haar Wajong-uitkering te verhuizen naar Turkije. De beslissing van de echtgenoot om in Turkije een voor hem aantrekkelijke baan te aanvaarden berust in overwegende mate op diens eigen keuze. Dat appellante, zoals GGZ-arts De Bruijn in zijn brieven van 18 juni 2012 en 21 december 2012 heeft gesteld, mogelijk depressief of psychotisch wordt als zij niet in Turkije mag wonen en met haar gezin herenigd zal worden, vormt geen aanleiding voor een ander oordeel. Het exportverbod, zoals geformuleerd in artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wajong, maakt immers niet dat appellante niet in Turkije mag wonen. Voorts is naar oordeel van de rechtbank niet gebleken dat het voor appellante medisch noodzakelijk was om met behoud van haar uitkering te verhuizen naar Turkije.


3.1.

In hoger beroep heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat zij zwaarwegende redenen heeft om met behoud van haar Wajong-uitkering in Turkije te gaan wonen. Haar echtgenoot kon in Nederland geen fulltime baan vinden en was daarom genoodzaakt in Turkije een baan te accepteren. Omdat appellante van zijn verzorging afhankelijk is, moet zij hem naar Turkije volgen. Voorts heeft appellante als zwaarwegende reden aangevoerd dat het voor haar medisch gezien noodzakelijk is dat zij in Turkije kan wonen en met haar gezin herenigd kan worden. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante gewezen op de brieven van GGZ-arts De Bruijn van 18 juni 2012 en 21 december 2012.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Appellante heeft met het onder 1.3 vermelde ongedateerde schrijven een nieuw verzoek gedaan om met behoud van haar Wajong-uitkering te mogen verhuizen naar Turkije, omdat haar echtgenoot daar inmiddels een baan heeft aanvaard. In geschil is daarom of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de weigering van het Uwv om appellante toestemming te verlenen om met behoud van haar Wajong-uitkering te verhuizen naar Turkije in rechte stand kan houden.


4.2.

In artikel 3:19, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong) (voorheen artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wajong) is bepaald dat het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering eindigt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de jonggehandicapte buiten Nederland is gaan wonen. Het Uwv kan dit zogenoemde exportverbod van een Wajong-uitkering op grond van het negende lid van dit artikel buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing, gelet op het belang van het eindigen van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering indien de jonggehandicapte buiten Nederland gaat wonen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.


Het exportverbod van de Wajong-uitkering is uitgangspunt en de zogenoemde hardheidsclausule kan slechts in uitzonderlijke situaties toepassing vinden.


4.3.

Het Uwv heeft in de Beleidsregels neergelegd in welke gevallen en op welke wijze toepassing zal worden gegeven aan de hardheidsclausule. In artikel 2 van de Beleidsregels is bepaald dat van een onbillijkheid van overwegende aard sprake is, indien de jonggehandicapte naar het oordeel van het Uwv zwaarwegende redenen heeft om buiten Nederland te gaan wonen en naar verwachting als gevolg van het eindigen van het recht op uitkering aanmerkelijk nadeel zal ondervinden. Als zwaarwegende redenen om buiten Nederland te gaan wonen worden in ieder geval aangemerkt:

a. het ondergaan van een medische behandeling van enige duur;

b. het aanvaarden van arbeid met enig reїntegratieperspectief;

c. het volgen van de woonplaats van degene(n) van wie de jonggehandicapte voor zijn verzorging afhankelijk is en die genoodzaakt is om buiten Nederland te gaan wonen.


4.4.

In de toelichting op de Beleidsregels is over het bepaalde in artikel 2, aanhef en onder c, opgemerkt dat de redenen waarom de verzorgende personen buiten Nederland gaan wonen objectief en dwingend van aard moeten zijn, en dus niet in overwegende mate gebaseerd op een eigen keuze. In de toelichting is voorts opgemerkt dat ook in andere dan de drie hiervoor genoemde situaties er grond kan zijn voor toepassing van de hardheidsclausule. In alle gevallen zal beoordeeld moeten worden of sprake is van zwaarwegende redenen en of het beëindigen van de uitkering een aanmerkelijk nadeel betekent voor de jonggehandicapte.


4.5.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de omstandigheid dat de echtgenoot van appellante een baan heeft aanvaard in Turkije en om die reden, samen met de overige gezinsleden, onder wie appellante, naar Turkije wil verhuizen, niet kan worden aangemerkt als een zwaarwegende reden in de zin van artikel 2, aanhef en onder c, van de Beleidsregels. De rechtbank heeft er daarbij met juistheid op gewezen dat de omstandigheden waaronder de echtgenoot van appellante een baan in Turkije heeft aanvaard niet zodanig zijn dat kan worden gesteld dat hij genoodzaakt was buiten Nederland te gaan wonen. De beslissing van de echtgenoot om te gaan werken in en te verhuizen naar Turkije is in overwegende mate gebaseerd op een eigen keuze zonder dat van een objectieve en dwingende noodzaak daartoe is gebleken. Met de rechtbank wordt voorts geoordeeld dat de door appellante verder genoemde omstandigheden evenmin worden aangemerkt als zwaarwegende omstandigheden die reden zijn om toepassing te geven aan de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 2 van de Beleidsregels.


4.6.

De overwegingen 4.1 tot en met 4.5 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun als voorzitter en E.W. Akkerman en

D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2015.




(getekend) B.M. van Dun




(getekend) P. Boer




AP