Centrale Raad van Beroep, 21-01-2015 / 13-4587 BABW


ECLI:NL:CRVB:2015:379

Inhoudsindicatie
Aanvraag gehandicaptenparkeerkaart type bestuurder ten onrechte afgewezen. Concrete aanwijzingen dat appellante, in redelijkheid met gebruik van twee elleboogkrukken, niet in staat is om zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan een stuk te voet te overbruggen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-01-21
Publicatiedatum
2015-02-17
Zaaknummer
13-4587 BABW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/4587 BABW

Datum uitspraak: 21 januari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

6 maart 2013, 12/4267 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Leiden (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.W. Smit, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 november 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Smit. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

C. Bengour.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante, geboren [in] 1988, heeft een loopbeperking sinds zij op 23 april 1994 betrokken is geraakt bij een verkeersongeval. Nadat haar rechter onderbeen in 1994 was geamputeerd, heeft in 2008 een re-amputatie plaatsgevonden. Appellante beschikt over een prothese voor het rechteronderbeen.


1.2.

Bij besluit van 4 augustus 2011 heeft het college een aanvraag van appellante om een gehandicaptenparkeerkaart type bestuurder afgewezen. Hieraan heeft het college een medisch advies van 26 juli 2011 van G.D. de Loor, arts bij GGD Hollands Midden, ten grondslag gelegd.


1.3.

Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Onder verwijzing naar een brief van huisartsen I. Osinga en J.A. Verhage van 13 september 2011, alsmede de brieven van 14 en 29 september 2011 van chirurg drs. K.A. Bartlema, voert appellante aan dat zij in aanmerking komt voor een gehandicaptenkaart, dat haar prothese klachten oplevert die resulteren in drukplekken en recidiverende wonden, als ook dat haar maximale loopafstand minder dan 100 meter bedraagt.


1.4.

Op 3 november 2011 heeft De Loor nader advies uitgebracht. Hierin is uiteengezet dat op het moment dat appellante haar prothese niet kan dragen, zij gebruik kan maken van andere gebruikelijke hulpmiddelen zoals krukken. Hiermee kan zij ook meer dan 100 meter aaneengesloten lopend overbruggen.


1.5.

Op verzoek van appellante heeft het college een second opinion laten uitvoeren door.

W. van Bork, arts en medisch adviseur bij HoraEst. Van Bork heeft na een huisbezoek, een gericht lichamelijk onderzoek, studie van de opgevraagde informatie en overleg met revalidatiearts J.R. van Ingen en chirurg Bartlema, in zijn medisch advies van 31 januari 2012 geconcludeerd dat appellante een geobjectiveerde loopbeperking heeft. Zonder hulpmiddelen heeft appellante een loopbeperking van minder dan 100 meter. Deze loopbeperking is echter te compenseren door gebruik te maken van elleboogkrukken. Hiermee wordt de afstand groter dan 100 meter. Van Bork heeft hierbij in aanmerking genomen dat appellante in verband met pijnklachten in het linkerbovenbeen recentelijk op het spreekuur is geweest bij Bartlema. Voor de pijnklachten van het linkerbovenbeen is, ook na uitgebreid onderzoek, geen verklaring gevonden en een mogelijke beperking in het gebruik van het linkerbovenbeen kon niet geobjectiveerd worden, hetgeen door Bartlema op 26 januari 2012 is bevestigd.

1.6.

Appellante heeft op 20 maart 2012 op het advies van Van Bork gereageerd. Hierbij heeft zij benadrukt dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de voorgeschiedenis van het linkerbeen en het feit dat de klachten te herleiden zijn naar de fractuur uit haar jeugd. Van Bork heeft hierop op 21 maart 2012 gereageerd. Hij heeft te kennen gegeven dat het gebruik van een prothese de beperking, het niet beschikken over een adequate functie van het kniegewricht van het rechterbeen, verergert. Een elleboogkruk compenseert deze beperking. Voor het linkerbeen geldt dat door de niet verklaarde pijnklachten en het mogelijke krachtsverlies van het linkerbovenbeen, het linkerbeen subjectief beperkt is wat betreft buigen, strekken en kracht zetten van het linkerkniegewricht. Omdat het linkerbeen de

loop- en stafunctie van het rechterbeen zal overnemen, is het heel goed voorstelbaar dat dit leidt tot toenemende klachten en beperkingen van het linkerbeen. Een elleboogkruk compenseert de beperking van het linkerkniegewricht, hetgeen los staat van de formele constatering dat de klachten niet geobjectiveerd kunnen worden. Om een adequate loopfunctie te kunnen realiseren, zal appellante gebruik moeten maken van twee elleboogkrukken, waarmee zij de beperkte functie van beide kniegewrichten compenseert en er geen sprake meer is van overbelasting van de bovenbenen of knieën. Dit is een normaal effect van elleboogkrukken. Appellante is hiermee in staat om, net als ieder ander, 200-300 meter te overbruggen.


1.7.

Bij besluit van 10 april 2012 (bestreden besluit) heeft het college het tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan heeft het college het advies van Van Bork ten grondslag gelegd.


1.8.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, waarbij zij heeft aangevoerd dat de klachten en beperkingen van het linkerbeen in grote mate bepalend zijn en dat juist dit aspect onderbelicht is gebleven. Appellante heeft ter onderbouwing van haar standpunt verwezen naar een medisch advies van chirurg n.p. en medisch adviseur

F.A. Sjollema, werkzaam bij Westerweel Intermediair te Goes, van 12 juni 2012. Sjollema vermeldt dat bij het lopen met elleboogkrukken het linkerkniegewricht evenals de voet en het heupgewricht van appellante, wel degelijk worden belast, alleen niet volledig. Ook verwijst appellante naar een rapport van orthopedisch traumatologisch expertiseur

dr. E.L.F.B. Raaymakers van 15 maart 2000, waaruit volgt dat een gedraaide positie van het kniegewricht overbelastingsklachten van de bovenbeen- en heupspieren oplevert. Ten slotte heeft appellante een brief van revalidatiearts Van Ingen van 14 september 2012 overgelegd waarin onder meer is vermeld dat appellante wordt belemmerd door een hevige pijn in de rug en het linkerbeen en dat zij zonder prothese, met gebruik van twee elleboogkrukken, maximaal 60 meter kan lopen.


1.9.

Hangende beroep heeft het college een aanvullend advies gevraagd aan Van Bork. Op

9 juli 2012 concludeert Van Bork dat gezien de aard van de stomp en de locatie het onmogelijk is om een zodanige prothese aan te meten dat appellante, zonder het oplopen van beschadigingen van de huid, meer dan 100 meter lopend zou kunnen overbruggen. Wat betreft de mogelijke verdraaiing van het linkerbeen en een verdraaiingsafwijking van de wervelkolom die volgens Sjollema en Raaymakers bij zouden kunnen dragen aan de pijnklachten, merkt Van Bork op dat hiervoor geen revalidatiedoelen zijn geformuleerd aangezien er geen beperkingen door ontstonden. In curatieve of diagnostische zin is er aan een verdraaiing van het linkerbovenbeen niets meer te doen. Het is een gegeven waarmee appellante moet leren leven. Het al dan niet objectiveren van een mogelijke verdraaiing draagt niets extra’s bij aan het vaststellen van de wijze van compenseren of het gebruik kunnen maken van voorliggende voorzieningen. Op 19 november 2012 merkt Van Bork, in reactie op het schrijven van Van Ingen van 14 september 2012, aanvullend op dat voor de geclaimde pijn geen objectieve verklaring te vinden is en dat deze pijn geen objectieve loopbeperking oplevert. Het is medisch gezien zelfs aannemelijk dat deze pijn door oefening en training zal verminderen.


1.10.

Het onderzoek ter zitting bij de rechtbank heeft plaatsgevonden op 12 december 2012. Op 17 december 2012 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en appellante in de gelegenheid gesteld om door middel van een onafhankelijk expertiserapport, uitgebracht op basis van eigen medisch onderzoek, haar stelling te bewijzen dat zij als gevolg van haar medische toestand buiten staat is om, met behulp van elleboogkrukken, een afstand van honderd meter lopend af te leggen.


1.11.

Ter uitvoering van de opdracht van de rechtbank heeft appellante vervolgens een rapport van Raaymakers van 24 november 2012, alsmede medische adviezen van 6 september 2012, 19 december 2012 en 16 januari 2013 van Sjollema overgelegd. Van Bork heeft hierop op

15 en 21 februari 2013 schriftelijk gereageerd.


2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de uitgebrachte adviezen van De Loor en Van Bork de conclusie niet kunnen dragen dat appellante niet voor afgifte van een gehandicaptenkaart in aanmerking komt. Uitdrukkelijk is onderzocht of appellante met gebruik van elleboogkrukken 100 meter lopend kan overbruggen, waarbij alle door appellante genoemde medische feiten en omstandigheden - ook in onderling verband bezien - zijn betrokken. Appellante is niet geslaagd in het leveren van bewijs van de onder 1.10 opgenomen stelling, nu appellante niet een andere onafhankelijk deskundige heeft ingeschakeld om onderzoek te doen. Appellante heeft stukken overgelegd van Raaymakers en Sjollema die reeds in de onderhavige zaak en de letstelschadezaak als deskundigen zijn ingeschakeld. Ook is niet gebleken dat na de zitting een eigen medisch onderzoek door de deskundige is verricht.


3. Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en voert aan dat zij heeft aangetoond niet in staat te zijn om met elleboogkrukken 100 meter of meer te kunnen lopen. Appellante heeft aan de bewijsopdracht voldaan nu zij een onafhankelijk expertiserapport op basis van eigen medisch onderzoek heeft over overgelegd. Zij verwijst naar het rapport van Raaymakers van 24 november 2012, definitief vastgesteld op 13 februari 2013, en de brief van revalidatiearts Van Ingen van 14 september 2012.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.1.

Ingevolge artikel 49, eerste lid, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer kan aan een gehandicapte, overeenkomstig de bij ministeriële regeling gestelde criteria, door het college van burgemeester en wethouders waar hij als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens, een gehandicaptenparkeerkaart worden verstrekt.


4.1.2.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling gehandicaptenparkeerkaart kunnen bestuurders van motorvoertuigen op meer dan twee wielen en van brommobielen, die ten gevolge van een aandoening of gebrek een aantoonbare loopbeperking hebben van langdurige aard, waardoor zij - met de gebruikelijke loophulpmiddelen - in redelijkheid niet in staat zijn zelfstandig een afstand van meer dan honderd meter aan een stuk te voet te overbruggen, voor een gehandicaptenparkeerkaart in aanmerking komen.


4.2.1.

Tussen partijen is enkel in geschil of appellante in staat is om, met gebruik van twee elleboogkrukken, zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan een stuk, te voet te overbruggen.


4.2.2.

De Raad overweegt dat Raaymakers in zijn rapport van 24 november 2012, definitief vastgesteld op 13 januari 2013, de huidige klacht van appellante heeft omschreven als sinds 2009 bestaande pijnklachten in de linkerflank, doorlopend tot aan het linker sacro-iliacale gewricht, alsmede een kloppende pijn in het linkerbovenbeen, waardoor de loopafstand nog meer beperkt is dan tevoren. Appellante heeft bij Raaymakers gemeld dat het lopen tot 2009 maximaal een half uur betrof en dat dit sinds de pijnklacht in het linkerbeen ontstond, ook zonder prothese, dat wil zeggen met krukken, maximaal 60 meter is. In het rapport vermeldt Raaymakers vervolgens dat een goede verklaring voor de pijn in het linkerbeen bij lichamelijk en radiologisch onderzoek niet is gevonden. Wel is er een duidelijke heupdysplasie van de linkerheup. Hoewel appellante niet de leeftijd heeft waarop een dysplasiecoxartrose zich openbaart, is bij haar wel sprake van een sterke overbelasting van het linkerbeen gedurende 19 jaren. Daarnaast is er een belangrijke rotatiefout, die gezien de dubbelzijdigheid van de fractuur geschat moet worden op grond van de heupfunctie. De endorotatieformiteit wordt rechts op 20° en links op 30° geschat, waarbij Raaymakers opmerkt dat ook die afwijking kan bijdragen aan de ontwikkeling van coxartrose. Ondanks dat op basis van de uitgevoerde

drie-fasen skeletscan (nog) geen beginnende coxartrose links kon worden aangetoond, kunnen de pijnklachten in het linkerbeen toch berusten op een relatieve overbelasting van het linkerheupgewricht en bijdragen aan verkorting van de loopafstand. Raaymakers acht een eenduidige samenhang tussen het verhaal van appellante en zijn bevindingen bij lichamelijk en radiologisch onderzoek aanwezig. De beperkingen die appellante aangeeft te ondervinden, komen Raaymakers reëel en geloofwaardig voor. Raaymakers meent dan ook dat appellante wellicht soms wel, maar meestal niet in staat geacht moet worden om 100 meter achtereen te lopen, met of zonder krukken. Raaymakers sluit zich in deze aan bij de mening van de huisarts (brief van 13 september 2011), de behandelend chirurg (brief van 29 september 2011) en behandelend revalidatiearts (brief van 14 september 2011).


4.2.3.

Het door Raaymakers laatstelijk opgemaakte rapport bevat concrete aanwijzingen dat appellante, in redelijkheid met gebruik van twee elleboogkrukken, niet in staat is om zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan een stuk te voet te overbruggen. Raaymakers beschrijft immers door hem bij appellante vastgestelde afwijkingen aan de wervelkolom en heupen. In het licht hiervan, aangevuld met de overige medische gegevens, beoordeelt Raaymakers de door appellante gestelde beperkte loopafstand als reëel en geloofwaardig. Naar het oordeel van de Raad heeft appellante hiermee de conclusies van

De Loor en Van Bork deugdelijk bestreden. Hiertoe overweegt de Raad dat het onderzoek van Raaymakers voldoende zorgvuldig, deugdelijk en inzichtelijk moet worden geacht. Anders dan De Loor en Van Bork, heeft Raaymakers zijn onderzoek meer specifiek gericht op diverse lichamelijke klachten bij het gebruik van het linkerbeen en de hieruit volgende beperkingen. Tevens is van belang dat Raaymakers geen behandelend arts van appellante is (geweest) en dat het rapport mede op basis van eigen onderzoek van appellante door Raaymakers tot stand is gekomen. Hetgeen Van Bork in reactie op het rapport van Raaymakers naar voren heeft gebracht, heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen.


4.3.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft de rechtbank niet onderkend dat het rapport van Raaymakers kan gelden als een onafhankelijk expertiserapport uitgebracht op basis van eigen medische onderzoek, zoals bepaald in de onder 1.10 genoemde heropeningsbeslissing van de rechtbank. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Verder volgt uit 4.2.3 dat het college het bestreden besluit niet op de adviezen van de Loor en Van Bork heeft mogen baseren. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb, zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat aan appellante een gehandicaptenparkeerkaart wordt verstrekt.


5. Er bestaat aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 980,- in beroep en € 980,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • - verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 10 april 2012;
  • - bepaalt dat het college aan appellante een gehandicaptenparkeerkaart verleent voor de duur van vijf achtereenvolgende jaren en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 10 april 2012;
  • - veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.960,-;
  • - bepaalt dat het college aan appellante het door haar betaalde griffierecht van in totaal

€ 160,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en M.F. Wagner en D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van M.P. Ketting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2015.




(getekend) H.J. de Mooij




(getekend) M.P. Ketting




JvC