Centrale Raad van Beroep, 27-10-2015 / 14/2092 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:3793

Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag om bijzondere bijstand voor het doorbetalen van de huur en de overige vaste lasten van de woning gedurende de periode van haar detentie. Geen sprake van zeer dringende redenen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-27
Publicatiedatum
2015-11-09
Zaaknummer
14/2092 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/2092 WWB

Datum uitspraak: 27 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

27 februari 2014, 13/1001 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.T. Huisman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2015. Namens appellante zijn verschenen mr. Huisman en [naam zoon], de zoon van appellante. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante ontving sinds geruime tijd bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Appellante is op 14 januari 2013 in voorlopige hechtenis genomen.


1.2.

Appellante heeft op 13 februari 2013 een aanvraag om bijzondere bijstand op grond van de WWB ingediend voor het doorbetalen van de huur en de overige vaste lasten van haar woning gedurende de periode van haar detentie.


1.3.

Bij besluit van 12 maart 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 6 augustus 2013 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellante afgewezen. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante geen recht heeft op bijzondere bijstand omdat zij gedetineerd is. Volgens het college zijn geen zeer dringende redenen aanwezig om in afwijking daarvan bijzondere bijstand te verlenen.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat niet in geschil is dat appellante ten tijde van de aanvraag en het bestreden besluit gedetineerd was en dat het college gelet op artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a en artikel 16 van de WWB terecht heeft geconcludeerd dat appellante geen recht op bijstand heeft, tenzij sprake is van dringende redenen in de zin van artikel 16, eerste lid, van de WWB. Van zeer dringende redenen om op grond van artikel 16, eerste lid, van de WWB bijzondere bijstand aan appellante te verstrekken is de rechtbank niet gebleken. Uit de conclusies van de psychiater Kemperman, de GGZ-psycholoog De Jonge en de reclassering blijkt weliswaar dat bij appellante sprake is van ernstige psychiatrische problematiek en dat de reclassering het wenselijk acht dat appellante na haar detentie terug kan keren naar haar huidige woning, maar daaruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat het verlies van haar woning bij appellante tot een psychose kan/zou leiden, noch dat anderszins sprake is van een acute noodsituatie. De situatie van appellante is naar het oordeel van de rechtbank niet vergelijkbaar met die welke in de uitspraak van 7 juli 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2809, aan de orde was, nu er in dat geval, in tegenstelling tot de situatie van appellante, sprake was van een persoon met een lange psychiatrische voorgeschiedenis waarbij de voor hem beschikbare opvang een onhoudbare situatie zou opleveren waaraan hij lichamelijk en geestelijk ten gronde zou gaan en het voortduren daarvan de kans op psychische decompensatie zeer groot zou maken. Er is dan ook geen sprake van een gelijke of vergelijkbare situatie. Evenmin heeft appellante aannemelijk gemaakt dat de gestelde behoeftige situatie op geen enkele andere wijze was te verhelpen dan door het verlenen van bijstand. Daarbij heeft de rechtbank laten meewegen dat de kinderen van appellante de huur van de huidige woning hebben voorgeschoten.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij voert aan dat er, gelet op haar psychische problematiek, in haar geval wel degelijk sprake is van een zeer dringende reden als bedoeld in artikel 16 van de WWB.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling


4.1.

Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, is in wezen een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellante heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel rust. Het college heeft de aanvraag om bijzondere bijstand op goede gronden afgewezen.


4.2.

Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2015.




(getekend) E.C.R. Schut




(getekend) B. Fotchind




HD