Centrale Raad van Beroep, 27-10-2015 / 14/2242 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:3796

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Gezamenlijke huishouding. Onweerlegbaar rechtsvermoeden. Niet hetzelfde adres als hoofdverblijf. ie de uitspraak van de Hoge Raad van 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:556. Bij het aanhouden van afzonderlijke adressen zal aannemelijk moeten zijn dat hetzelfde adres als hoofdverblijf van beiden fungeert.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-27
Publicatiedatum
2015-11-09
Zaaknummer
14/2242 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/2242 WWB

Datum uitspraak: 27 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 18 maart 2014, 13/6744 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F. Ergec, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2015. Namens appellante is

mr. Ergec verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.M. Mol.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante ontvangt sinds 5 november 2012 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.


1.2.

Appellante heeft twee kinderen van haar ex-partner [naam L] (L). Zij stond ten tijde hier van belang met deze kinderen in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA), thans basisregistratie personen, ingeschreven op het adres [uitkeringsadres] te [woonplaats] (uitkeringsadres). L stond in de GBA ingeschreven op het adres [adres 2] te [woonplaats] (adres 2). Aan L is met ingang van 6 juni 2012 bijstand verleend. Omdat de auto van L regelmatig werd aangetroffen bij het uitkeringsadres heeft de Sociale Recherche van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Brabantse Wal (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand en naar de aan L verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer dossieronderzoek verricht, in de periode van 13 maart 2013 tot en met 26 juni 2013 waarnemingen verricht bij het uitkeringsadres en op 26 juni 2013 een onaangekondigd huisbezoek op het uitkeringsadres afgelegd, appellante gehoord en een buurtonderzoek bij het uitkeringsadres gedaan. Voorts is, onder meer door waarnemingen bij adres 2 en het afleggen van een huisbezoek op adres 2 op eveneens 26 juni 2013, onderzoek gedaan naar de woonsituatie op adres 2 en is L op die dag gehoord. De bevindingen van de onderzoeken naar de rechtmatigheid van de aan appellante en L verleende bijstand zijn neergelegd in twee afzonderlijke rapporten van 2 juli 2013. De resultaten van het onderzoek ten aanzien van appellante zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 12 juli 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 21 november 2013, de bijstand van appellante met ingang van 13 maart 2013 in te trekken op de grond dat appellante een gezamenlijke huishouding voert met L, wat zij, in strijd met haar inlichtingenverplichting, niet aan het college heeft gemeld.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij heeft, evenals in beroep, betwist dat de onderzoeksbevindingen voldoende grondslag bieden voor het standpunt van het college dat zij in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding met L heeft gevoerd en haar inlichtingenverplichting heeft geschonden. L kwam wel ongeveer drie keer per week op het uitkeringsadres, maar dat was in het kader van de opvang van de kinderen. Bij het onaangekondigde huisbezoek zijn ook geen spullen van L aangetroffen. Appellante heeft verzocht om schadevergoeding, bestaande uit de wettelijke rente over de ten onrechte niet betaalde bijstand.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De door de bestuursrechter te beoordelen periode loopt van 13 maart 2013 tot en met

12 juli 2013. Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.


4.2.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB, voor zover hier van belang, wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert.


4.3.

Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren.


4.4.

Omdat vaststaat dat L de vader is van de kinderen van appellante is voor de beantwoording van de vraag of gedurende de hier te beoordelen periode sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend of appellante en L in de te beoordelen periode hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden.


4.5.

Het antwoord op de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Appellante en L stonden in de te beoordelen periode op afzonderlijke adressen ingeschreven. Dat gegeven staat op zichzelf niet in de weg aan het hebben van een hoofdverblijf in dezelfde woning op één van die adressen. Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:556. Bij het aanhouden van afzonderlijke adressen zal aannemelijk moeten zijn dat hetzelfde adres als hoofdverblijf van beiden fungeert.


4.6.

Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld en het college meent, kan aan de onderzoeksbevindingen niet het bewijs worden ontleend dat het zwaartepunt van het persoonlijk leven van L zich op het uitkeringsadres bevond en dat hij daar dus zijn hoofdverblijf had. Bij het onaangekondigde huisbezoek op het uitkeringsadres op 26 juni 2013 om 7.20 uur werd L niet op het uitkeringsadres aangetroffen. Appellante heeft verklaard dat L bijna altijd bij haar is en soms blijft slapen als ze samen naar een feest zijn geweest, maar dit is onvoldoende om aan te nemen dat L zijn hoofdverblijf bij haar had. Ook uit de verklaringen van buurtbewoners kan dat niet worden afgeleid. De verklaring van de buurvrouw van het adres [Adres 1] is onvoldoende specifiek en ook uit de verklaring van de buurvrouw van Hof van [Adres 3] dat appellante en L er altijd zijn, kan niet worden afgeleid dat L vaker de nacht doorbracht op het uitkeringsadres dan appellante en L hebben verklaard. Deze buurvrouw verklaarde immers concreet slechts dat ze appellante en L vaak samen ziet weggaan en thuiskomen en dat de man en de vrouw beiden de kinderen van en naar school brengen en halen. Verder maakt de omstandigheid dat bij de waarnemingen de auto van L in de periode van 13 maart 2013 tot en met 26 juni 2013 27 keer voor of in de omgeving van de woning van appellante is gezien, waarvan een aantal keer

’s ochtends vroeg, een keer om 23.15 u en een keer om 00.10 u, slechts aannemelijk dat L vaak op het uitkeringsadres was en ook wel ‘s nachts. In dit verband is voorts wel van betekenis dat, terwijl appellante de rapporteurs haar woning heeft laten zien, daar geen persoonlijke bezittingen, zoals verzorgingsartikelen, kleding of administratie van L zijn aangetroffen. Dit strookt met de verklaring van appellante en L dat hij het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven niet had in de woning van appellante maar op adres 2. In dit verband is voorts van betekenis dat uit de onderzoeksbevindingen niet naar voren is gekomen dat de verklaring van L dat hij op adres 2 zijn vrienden ontving niet juist is. Of op grond van de onderzoeksbevindingen aannemelijk is dat L zijn hoofdverblijf in de te beoordelen periode op adres 2 had, is niet relevant. Ook als dat niet het geval zou zijn, betekent dat immers nog niet zonder meer dat L zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had.


4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat de onderzoeksbevindingen onvoldoende grondslag bieden voor het standpunt van het college dat appellante in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding met L heeft gevoerd.


4.8.

Uit 4.7 volgt dat geen toereikende grond aanwezig was om de bijstand van appellante in te trekken. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak zal moeten worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep van appellante gegrond verklaren en het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen. De Raad ziet voorts aanleiding om, zelf in de zaak voorziend, het besluit van 12 juli 2013 te herroepen, omdat dit besluit berust op dezelfde ondeugdelijk gebleken grondslag en gelet op het tijdsverloop niet aannemelijk is dat dit motiveringsgebrek nog kan worden hersteld.

5. Het verzoek van appellante om het college te veroordelen tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente over de na te betalen bijstand komt voor toewijzing in aanmerking. De wettelijke rente moet worden berekend overeenkomstig de uitspraak van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.


6. Het college zal worden veroordeeld in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 980,- in bezwaar, € 980,- in beroep en € 980,- in hoger beroep.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 21 november 2013;

- herroept het besluit van 12 juli 2013 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het

vernietigde besluit van 21 november 2013;

- veroordeelt het college tot vergoeding aan appellante van schade in de

vorm van wettelijke rente zoals onder 5 vermeld;

- veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.940,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 166,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en F. Hoogendijk en

M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2015.




(getekend) R.H.M. Roelofs




(getekend) M.S. Boomhouwer



Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het

begrip gezamenlijke huishouding.



HD