Centrale Raad van Beroep, 26-10-2015 / 14-847 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:3800

Inhoudsindicatie
Weigering IVA-uitkering. Geen sprake van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. Voldoende aanknopingspunten voor de stelling dat er een meer dan geringe kans op verbetering van de belastbaarheid van appellante bestaat.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-26
Publicatiedatum
2015-11-03
Zaaknummer
14-847 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/847 WIA

Datum uitspraak: 26 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

31 december 2013, 13/1508 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.C.M. Peper, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 augustus 2015. Appellante en haar gemachtigde zijn met bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Smit.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als productiemedewerkster voor 36 uur per week. Vanuit de situatie dat zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving, heeft zij zich op 8 mei 2006 ziek gemeld met psychische klachten.


1.2.

Bij besluit van 9 april 2008 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante met ingang van 5 mei 2008 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Bij besluit van 10 februari 2009 is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 9 april 2008 gegrond verklaard en heeft het Uwv vastgesteld dat zij met ingang van 5 mei 2008 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Bij besluit van 14 juli 2009 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante met ingang van 27 mei 2009 recht heeft op een uitkering wegens volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid (IVA-uitkering).


1.3.

Bij besluit van 6 juli 2012 is na een medische en arbeidskundige herbeoordeling vastgesteld dat appellante met ingang van 7 september 2012 geen recht meer heeft op een IVA-uitkering, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht.


1.4.

Appellante heeft tegen het besluit van 6 juli 2012 bezwaar gemaakt omdat zij meent dat ze volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Bij besluit van 29 mei 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante gegrond verklaard en vastgesteld dat appellante met ingang van 7 september 2012 recht heeft op een WGA-loonaanvullingsuitkering, omdat zij 100% arbeidsongeschikt is.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank naar aanleiding van de stelling van appellante dat zij niet alleen volledig maar ook duurzaam arbeidsongeschikt is, overwogen dat het Uwv met het in beroep ingebrachte rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 8 november 2013 voldoende heeft gemotiveerd dat er verbetering van de functionele mogelijkheden van appellante is te verwachten, zodat zij geen recht heeft op een

IVA-uitkering. Omdat een afdoende motivering pas in beroep is ingebracht, heeft de rechtbank aanleiding gezien het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen, waarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand worden gelaten. Tevens heeft de rechtbank het Uwv veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van appellante en het door haar betaalde griffierecht.


3.1.

In hoger beroep heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit ten onrechte in stand zijn gelaten. Appellante heeft aangevoerd dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en daarom haar IVA-uitkering ten onrechte is ingetrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 8 november 2013 onvoldoende gemotiveerd dat verbetering van haar psychische klachten kan worden verwacht. Appellante wijst erop voorts dat haar klachten en beperkingen ten opzichte van 2009 niet zijn verbeterd. Dit blijkt volgens appellante ook uit het in bezwaar overgelegde rapport van psychiater L. Timmerman van 12 november 2012, die onder meer stelt dat sprake is van een conversiestoornis met agorafobie, dat haar GAF-score ten opzichte van eerder onderzoek ongewijzigd 50 is, terwijl haar klachten sterk chronisch van aard zijn.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Het geschil spitst zich toe op het antwoord op de vraag of de volledige arbeidsongeschiktheid van appellante moet worden geacht duurzaam te zijn, zodat zij, ingevolge artikel 47 van de Wet WIA, met ingang van 7 september 2012 recht heeft op een uitkering ingevolge de IVA in plaats van een WGA-uitkering. Daarbij gaat het met name om de psychische klachten van appellante.


4.2.

Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA, hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Ingevolge het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.


4.3.

Zoals is geoordeeld in de uitspraak van 4 februari 2009, (ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896), moet bij de beoordeling van de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 Wet WIA een inschatting worden gemaakt van de herstelkansen, in de zin van functionele mogelijkheden van de verzekerde en dient de inschatting van de kans op herstel te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de individuele verzekerde aan de orde zijn.


4.4.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het standpunt van het Uwv dat de arbeidsongeschiktheid van appellant niet duurzaam is, niet onjuist is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 13 mei 2013 toegelicht dat de conclusies van psychiater Timmerman, zoals verwoord in het in bezwaar overgelegde rapport van

12 november 2012, niet geheel kunnen worden gevolgd. Timmerman heeft onder meer geconcludeerd dat bij appellante sprake is van een conversiestoornis met motore uitval, agorafobie en een dysthyme stoornis. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeert Timmerman zonder duidelijke argumenten dat bij appellante sprake is van een dysthyme stoornis. Verder zijn conversie en agorafobie niet objectief waargenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat uit de informatie van de huisarts blijkt dat de psychische klachten van appellante niet op de voorgrond staan. Ook blijkt uit deze informatie dat appellante in staat is goed te fietsen en zij op vakantie gaat naar Turkije, wat niet spoort met de gestelde agorafobie en conversie. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeert dat bij appellante sprake is van een aanpassingsstoornis met vermijdende trekken, waarmee in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) in voldoende mate rekening is gehouden. In het rapport van 8 november 2013 heeft deze arts voorts gemotiveerd dat een aanpassingsstoornis goed te behandelen is en dat, zolang hiermee in arbeid rekening wordt gehouden, volgens de huidige medische inzichten gezondheidswinst verwacht kan worden. Daarbij kan worden aangetekend dat Timmerman, die appellante ook in 2008 onderzocht, in zijn eerder genoemd rapport uit 2012 opmerkt dat geen evidente depressie aanwezig is en dat appellante geen duidelijke paniekaanvallen (meer) heeft, terwijl hij desgevraagd (door de gemachtigde van appellante) opmerkt dat de FML, behoudens ten aanzien van de agorafobie, juist is ingevuld. Met recht attendeert de rechtbank erop dat Timmerman zich over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid niet uitlaat en dat zijn opmerking over het chronische karakter van de klachten niet uitsluit dat behandeling mogelijk is. Het voorgaande biedt voldoende aanknopingspunten voor de stelling dat er een meer dan geringe kans op verbetering van de belastbaarheid van appellante bestaat.


4.5.

Wat appellante heeft aangevoerd met betrekking tot het belang van de GAF-score leidt niet tot een ander oordeel. Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2012:BW1513) is deze score bedoeld om in het kader van een behandeling enig handvat te geven voor beoordeling van het beloop daarvan. De GAF-score is niet bedoeld of geschikt om beperkingen in sociaal of beroepsmatig functioneren vast te leggen. Appellante heeft in hoger beroep geen (nieuwe) medische informatie overgelegd die aanleiding vormt voor een ander oordeel over de duurzaamheid van haar arbeidsongeschiktheid.


4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.



Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J. Riphagen en P.H. Banda als leden, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2015.




(getekend) D.J. van der Vos




(getekend) M.S.E.S. Umans




AP