Centrale Raad van Beroep, 26-10-2015 / 14-1925 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:3801

Inhoudsindicatie
Geen recht op een uitkering op grond van de Wet WIA. Juiste rapporten verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-26
Publicatiedatum
2015-11-04
Zaaknummer
14-1925 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/1925 WIA

Datum uitspraak: 26 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

27 februari 2014, 13/466 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K.B. Brouwer-Porte, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante zijn nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 augustus 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Brouwer-Porte. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.R. Bos.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was laatstelijk werkzaam als callcenter medewerker voor 40 uur per week. Vanuit de situatie dat zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontving, heeft zij zich op 21 februari 2011 ziek gemeld met arm-, rug-, knie- en nekklachten, fibromyalgie en incontinentie.


1.2.

Bij besluit van 5 december 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante met ingang van 18 februari 2013 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.


1.3.

Appellante heeft tegen het besluit van 5 december 2012 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 24 mei 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding heeft gezien voor het oordeel dat het medisch onderzoek onjuist of onzorgvuldig is verricht of dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beperkingen van appellante heeft onderschat. De rechtbank heeft evenmin aanleiding gevonden de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit voor onjuist te houden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv de functie van medewerker callcenter terecht aangemerkt als de maatmanfunctie. Appellante heeft geen medische informatie overgelegd waaruit blijkt dat zij bij aanvang al ongeschikt was voor die functie. Voorts heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapporten voldoende gemotiveerd dat in de door hem geselecteerde voorbeeldfuncties geen sprake is van een overschrijding van de belastbaarheid van appellante.


3.1.

In hoger beroep heeft appellant haar standpunt herhaald dat zij meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellante een medisch journaal van haar huisarts overgelegd en een rapport medisch onderzoek van

A. Nijboer van 28 mei 2014, dat is opgesteld voor de vaststelling van de mate van arbeidsmogelijkheden in het kader van de Wet Werk en Bijstand (WWB). Appellante heeft zich verder wederom op het standpunt gesteld dat het Uwv ten onrechte de functie van medewerker callcenter als maatgevende arbeid in aanmerking heeft genomen, omdat zij van het begin af aan ongeschikt was voor dit werk. Voorts heeft appellante aangevoerd dat zij niet in staat is de werkzaamheden verbonden aan de geselecteerde voorbeeldfuncties te verrichten. De functie van machinebediende inpak-/verpakkingsmachine is ongeschikt wegens het werken met gevaarlijke machines, waarvoor appellante beperkt is wegens het door medicijngebruik veroorzaakte vertraagd reactievermogen. De functie van magazijn/expeditie medewerker is ongeschikt, omdat daarin het besturen van een elektrische hefwagen voorkomt en appellante vanwege haar medicijngebruik geen vervoersmiddelen mag besturen. Ook de functies van receptionist/baliemedewerkster en consultatiebureau assistente zijn ongeschikt, omdat daarbij de werkplek niet op ieder moment verlaten kan worden voor een bezoek aan het toilet. Ten slotte heeft appellante verzocht om benoeming van een deskundige.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig is verricht en dat geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid van de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgestelde beperkingen. Daarbij wordt van belang geacht dat de verzekeringsarts van het Uwv een dossieronderzoek heeft verricht en appellante op het spreekuur lichamelijk en psychisch heeft onderzocht. In het rapport van 28 november 2012 concludeert deze arts dat appellante beperkt is voor zware dynamische en statische belasting van haar armen, lang lopen en staan, werken in een zeer koude omgeving en voor zwaar tillen en kracht zetten. Appellante is verder aangewezen op regelmatige werktijden. Wegens incontinentie klachten dient een toiletvoorziening gemakkelijk bereikbaar te zijn. In de bezwaarfase heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep eveneens een dossieronderzoek verricht en appellante gezien en gesproken op de hoorzitting. Deze arts heeft appellante nader beperkt geacht voor langdurig repeterende werkzaamheden en voor het overige heeft hij de door de primaire verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid onderschreven. De aanvullingen in de belastbaarheid van appellante zijn neergelegd in de FML van 16 april 2013.


4.2.

De in beroep overgelegde informatie van de huisarts van 21 juni 2013 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep, blijkens zijn rapport van 7 november 2013, aanleiding gegeven appellante wegens haar medicijngebruik nader beperkt te achten voor (beroepsmatig) autorijden. Wat betreft de incontinentie problematiek heeft deze arts in de rapporten van

15 augustus 2013 en 9 december 2013 overtuigend gemotiveerd dat deze problematiek van beperkte ernst is en slechts af en toe voorkomt. Met de in de FML opgenomen beperking dat een toiletvoorziening in de buurt moet zijn, wordt voldoende rekening gehouden met de incontinentieklachten van appellante. De door appellante in hoger beroep overgelegde informatie biedt geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgestelde belastbaarheid. Het huisartsenjournaal bevat geen nieuwe informatie over haar belastbaarheid op de datum in geding. De omstandigheid dat appellante in 2014 in het kader van de WWB, blijkens het rapport medisch onderzoek van A. Nijboer, niet voor arbeid inzetbaar is geacht maakt dit niet anders, omdat die beoordeling geen betrekking heeft gehad op de medische situatie van appellante op de datum in geding, nog daargelaten dat een medische beoordeling in het kader van de WWB voor een ander doel en in een ander toetsingskader wordt verricht. Voor de benoeming van een deskundige bestaat dan ook geen aanleiding.


4.3.

De rechtbank moet voorts worden gevolgd in het oordeel dat de functie van medewerker callcenter door het Uwv terecht als maatman is aangemerkt. Bij de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid dient in beginsel als maatman te worden aangemerkt degene die dezelfde arbeid verricht als de verzekerde laatstelijk verrichtte voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien moet worden aangenomen dat die arbeid als gevolg van de bij de verzekerde bestaande beperkingen van meet af aan voor hem ongeschikt is geweest. Volgens vaste rechtspraak dienen de omstandigheden van het geval voor het bestaan van een reële arbeidsongeschiktheid bij de aanvang van de verzekering voldoende en ondubbelzinnige indicaties te geven. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidskundige bezwaar en beroep, beide van 7 november 2013, terecht geoordeeld dat die indicaties in de situatie van appellante niet aanwezig zijn. De stelling van appellante dat zij van de ruim 3 maanden dat zij werkzaam was als medewerker callcenter drie weken wegens ziekte niet heeft kunnen werken, is onvoldoende voor de conclusie dat zij van meet af aan ongeschikt was voor dit werk. Ook de door het Uwv overgelegde gegevens met betrekking tot het ziekteverzuim van appellante wijzen daar niet op.


4.4.

Zoals onder 4.2 is overwogen heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 7 november 2013 geconcludeerd dat appellante wegens haar medicatiegebruik eveneens beperkt is voor beroepsmatig autorijden. Geconstateerd wordt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding heeft gezien om de FML overeenkomstig aan te passen. De arbeidskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 10 december 2013 echter inzichtelijk toegelicht dat beroepsmatig autorijden in de geselecteerde voorbeeldfuncties niet voorkomt. Anders dan appellante veronderstelt wordt een elektrische hefwagen lopend (aan de hand) verplaatst, zodat van (beroepsmatig) autorijden geen sprake is. Op grond hiervan wordt aan de vaststelling dat de FML op het punt van beroepsmatig autorijden niet is aangepast geen gevolgen verbonden. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft verder in de rapporten van 14 mei 2013 en 10 december 2013 overtuigend gemotiveerd dat de werkzaamheden in de geselecteerde voorbeeldfuncties de belastbaarheid van appellante ook verder niet te boven gaan. In de functie van machinebediende inpak-/verpakkingsmachine wordt gewerkt met een goed beveiligde machine, waarbij de kans op verwondingen nihil is. In de functies van assistent consultatiebureau en receptionist/baliemedewerkster kan appellante, indien dit noodzakelijk is, gebruik maken van een toilet. Gelet op het incidentele karakter van haar incontinentieklachten vormt dit geen onoverkomelijk probleem voor de uitvoering van de werkzaamheden.


4.5.

Uit overwegingen 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.













BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J. Riphagen en P.H. Banda als leden, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2015.




(getekend) D.J. van der Vos




(getekend) M.S.E.S. Umans




AP