Centrale Raad van Beroep, 20-10-2015 / 14/5830 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:3815

Inhoudsindicatie
Afwijzing langdurigheidstoeslag op de grond dat onduidelijkheid bestaat over de woon- en leefsituatie. Anders dan appellant heeft aangevoerd is de woon- en leefsituatie wel van belang om vast te stellen of hij voldoet aan de voorwaarden voor toekenning van een langdurigheidstoeslag. De hoogte van het inkomen alleen is niet bepalend.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-20
Publicatiedatum
2015-11-09
Zaaknummer
14/5830 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • USZ 2015/388
Uitspraak

14/5830 WWB

Datum uitspraak: 20 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

26 september 2014, 14/1446 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Cuijk (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.J. Driessen, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaken 14/2556 WWB, 14/2558, 14/2573 WWB en 14/2574 WWB plaatsgevonden op 8 september 2015. Partijen zijn opgeroepen om in persoon of bij gemachtigde te verschijnen. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Driessen. Als tolk voor appellant is opgetreden E. Bettaloglu. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door G.W.J. Heijsterman en M.C.J. Jansen. In de gevoegde zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant heeft vanaf 24 mei 2007 ten tijde hier van belang bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ontvangen naar de norm voor een alleenstaande. Hij staat ingeschreven op het adres [adres] (uitkeringsadres).


1.2.

Bij besluit van 6 december 2012 heeft het college de bijstand met ingang van

26 november 2012 ingetrokken. Aan de handhaving van dit besluit bij besluit van 21 mei 2013 ligt ten grondslag dat appellant in de periode van 26 november 2012 tot en met 6 december 2012 (intrekkingsperiode) niet woonde op het uitkeringsadres en dat door schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet is vast te stellen. Bij besluit van 21 februari 2013 heeft het college een nieuwe aanvraag om bijstand met ingangsdatum 14 december 2012 afgewezen. Aan de handhaving van dat besluit ligt ten grondslag dat appellant geen gewijzigde omstandigheden heeft aangetoond, waardoor kan worden vastgesteld dat na de intrekking van bijstand in de te beoordelen periode van

14 december 2012 tot en met 21 februari 2013 (aanvraagperiode) wel recht op bijstand bestaat. Bij uitspraak van heden, 14/2556 WWB, 14/2558, 14/2573 WWB en 14/2574 WWB, heeft de Raad voor zover van belang de intrekking van bijstand en de afwijzing van een nieuwe aanvraag om bijstand in stand gelaten.


1.3.

Appellant ontvangt met ingang van 14 mei 2013 weer bijstand ingevolge de WWB.


1.4.

Op 16 september 2013 heeft appellant een langdurigheidstoeslag 2013 aangevraagd.


1.5.

Bij besluit van 19 september 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 20 maart 2014 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat niet kan worden vastgesteld dat appellant gedurende

48 maanden voorafgaand aan de aanvraag (referteperiode) een laag inkomen heeft genoten en niet beschikt over een in aanmerking te nemen vermogen. Over de periode van 1 november 2012 tot en met 13 mei 2013 is de verblijfplaats en daarmee de woonsituatie van appellant onbekend en kan niet worden vastgesteld dat appellant heeft voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van een langdurigheidstoeslag.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft, samengevat, aangevoerd dat voor toekenning van de langdurigheidstoeslag de woon- en verblijfplaats niet bepalend is maar de hoogte van het inkomen. Hij heeft in de periode van

26 november 2012 tot en met 13 mei 2013 in het geheel geen inkomen gehad, op kosten van anderen moeten leven en alleen maar meer schulden gekregen. Ter ondersteuning heeft appellant bankafschriften overgelegd en verwezen naar Suwinet, waartoe het college ook inzage heeft.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 19 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW8780) is het aan appellant om aannemelijk te maken dat hij voldoet aan de vereisten om voor een langdurigheidstoeslag in aanmerking te komen, waaronder de hier aan de orde zijnde voorwaarde dat het inkomen van appellant in de van toepassing zijnde referteperiode niet hoger is dan de voor hem geldende bijstandsnorm. In onderhavige geval betekent dit dat appellant aannemelijk moet maken dat hij in de periode van 26 november 2012 tot en met 13 mei 2013 (te beoordelen periode) aan die voorwaarde heeft voldaan.


4.2.

Anders dan appellant heeft aangevoerd is de woon- en leefsituatie wel van belang om vast te stellen of hij voldoet aan de voorwaarden voor toekenning van een langdurigheidstoeslag. In zijn in 1.2 genoemde uitspraak van heden heeft de Raad geoordeeld dat voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het oordeel dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door respectievelijk over de intrekkingsperiode geen mededeling te doen van het feit dat hij niet woonde op het uitkeringsadres en over de aanvraagperiode geen duidelijkheid te verschaffen over zijn feitelijke woonsituatie, waardoor over beide perioden het recht op bijstand niet is vast te stellen. Op basis van die feitelijke grondslag bestaat in deze zaak over de genoemde perioden aanzienlijke twijfel ten aanzien van de door appellant opgegeven woon- en leefsituatie als alleenstaande wonende op het uitkeringsadres in de te beoordelen periode. Deze situatie is immers bepalend voor de vraag of appellant een zelfstandig subject van bijstand is, welke bijstandsnorm van toepassing is voor appellant en welke toeslag op die norm moet worden toegekend. Appellant heeft tegenover die twijfel niet aannemelijk gemaakt dat hij in de te beoordelen periode wel alleenstaande was en welke toeslag voor hem gold. Dit lag, gelet op de onder 4.1 genoemde bewijslastverdeling, wel op zijn weg. Aldus kan niet worden vastgesteld welke de voor appellant in de te beoordelen periode toepasselijke bijstandsnorm met eventuele toeslag was en of al dan niet rekening moet worden gehouden met het inkomen van de derde, met wie appellant samen in werkelijkheid als gehuwden moet worden aangemerkt.


4.3.

Appellant heeft bovendien met de overgelegde bankafschriften evenmin aannemelijk gemaakt dat hij beschikte over een inkomen dat niet hoger was dan de voor hem geldende bijstandsnorm. De enkele stelling dat het college inzage heeft in Suwinet volstaat niet, daargelaten de vraag of met raadpleging van Suwinet een volledig beeld van het inkomen van appellant kan worden verkregen.


4.4.

Nu niet kan worden vastgesteld of het inkomen van appellant in de te beoordelen periode niet hoger was dan de voor hem geldende bijstandsnorm, welke dan ook, heeft het college de aanvraag van appellant om een langdurigheidstoeslag op goede gronden afgewezen.


4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van

C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2015.




(getekend) O.L.H.W.I. Korte




(getekend) C.M. Fleuren




HD