Centrale Raad van Beroep, 06-02-2015 / 13-1042 WIA-T


ECLI:NL:CRVB:2015:385

Inhoudsindicatie
Geen recht op WIA-uitkering. De Raad is van oordeel dat ... de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport ... met een niet overtuigende motivering op het punt van werken onder toezicht en begeleiding is afgeweken van het advies van de primaire verzekeringsarts. Wat er overigens verder zij van deze motivering, uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt verder dat appellant in ieder geval is aangewezen op enige begeleiding. De Raad stelt vervolgens vast dat uit het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 29 mei 2012 niet valt op te maken of is uitgezocht of deze mate van begeleiding voorhanden is in de bij de schatting betrokken functies. Opdracht tot herstel gebrek.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-06
Publicatiedatum
2015-02-17
Zaaknummer
13-1042 WIA-T
Procedure
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/1042 WIA-T









Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer










Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

17 januari 2013, 12/3211 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


[Appellant] te [woonplaats] (appellant)


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)







Datum uitspraak: 6 februari 2015



PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. J.C. Walker, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een reactie van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ingezonden.


Namens appellant zijn nog nadere stukken ingediend, waarop het Uwv heeft gereageerd met inzendingen van reacties van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.


Het onderzoek er zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2014. Voor appellant is verschenen mr. Walker. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.



OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant was laatstelijk werkzaam als schoonmaker van vliegtuigen voor 40 uur per week. Vanuit de situatie dat hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving, heeft hij zich met ingang van 23 februari 2010 ziek gemeld in verband met visusklachten, hoofdpijn, slecht slapen en eczeem. Naar aanleiding van een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft de verzekeringsarts een medisch onderzoek verricht en de beperkingen van appellant vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 7 december 2011. Aansluitend heeft de arbeidsdeskundige functies geselecteerd tot het vervullen waarvan appellant in staat werd geacht. Bij besluit van 22 december 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant per

21 februari 2012 geen recht op een Wet WIA-uitkering is ontstaan.


1.2.

Bij besluit van 31 mei 2012 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 december 2011 ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 23 april 2012 met een aangepaste FML van

13 april 2012 en het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 29 mei 2012.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien te twijfelen aan het medisch en arbeidskundig oordeel van het Uwv.


3.1.

Appellant kan zich niet verenigen met de aangevallen uitspraak en de gronden waarop deze berust. Appellant blijft van mening dat de FML zijn beperkingen niet correct weergeeft en dat de geselecteerde functies niet passend zijn. Appellant heeft primair aangevoerd dat het Uwv de beperking die door de primaire verzekeringsarts is opgenomen, te weten dat appellant is aangewezen op werk dat onder rechtstreeks toezicht (veelvuldig feedback) en/of onder intensieve begeleiding wordt uitgevoerd, ten onrechte in bezwaar heeft laten vervallen. Appellant is van mening dat uit de overweging van de rechtbank niet duidelijk naar voren komt waarom die beperking niet meer dient de worden opgenomen in de FML. De stelling van het Uwv dat appellant zijn functie als schoonmaker bij [naam werkgever] naar behoren heeft vervuld, neemt onvoldoende de omstandigheden mee waaronder appellant zijn werk heeft kunnen vervullen. Uit de verklaring van de voorman bij [naam werkgever] van 12 juli 2012 blijkt dat appellant extra begeleiding en werkinstructies nodig had en dat degene die appellant begeleidde uitsluitend met appellant communiceerde in de Surinaamse taal. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had, nu hij van mening was dat de primaire verzekeringsarts uiterst summier was met zijn stelling dat voor appellant toezicht en begeleiding noodzakelijk was, in het kader van een zorgvuldig onderzoek overleg moeten plegen hierover. Dit heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep nagelaten. Subsidiair blijft appellant bij zijn opvatting dat de rechtbank met betrekking tot het leren van de Nederlandse taal binnen zes maanden voorbij is gegaan aan de psychische en overige problemen van appellant. Ter nadere onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant onder meer het verslag van het onderzoek van psycholoog J. Alders van 3 maart 2014 en een rapport van psychiater R.A. Jokhoe van 18 april 2013 overgelegd.


3.2.

Door het Uwv zijn in hoger beroep, als reactie op de door appellant overgelegde medische gegevens, rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 28 juli 2014 en 3 december 2014 en van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 3 september 2014 overgelegd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De verzekeringsarts is blijkens zijn rapport van 7 december 2011 op basis van alle medische gegevens en eigen onderzoek tot de conclusie gekomen dat appellant wegens zijn spraakproblemen, welke grote problemen in de sociale contacten meebrengen, slechthorendheid en psychische klachten beperkt moet worden geacht op het gebied van persoonlijk en sociaal functioneren. Ten aanzien van het persoonlijk functioneren is appellant aangewezen op werk dat onder rechtstreeks toezicht (veelvuldig feedback) en/of onder intensieve begeleiding wordt uitgevoerd (1.9.3). In verband met diverse lichamelijke klachten heeft de verzekeringsarts tevens beperkingen van toepassing geacht voor zwaar lichamelijk werk en extreme werktijden. Deze beperkingen zijn vastgelegd in de FML van 7 december 2011.


4.2.

Naar aanleiding van het door appellant tegen het besluit van 22 december 2011 gemaakte bezwaar heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv mede aan de hand van in bezwaar verkregen informatie van de behandelende sector de belastbaarheid van appellant herbeoordeeld. Zoals in het rapport van 23 april 2012 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is te lezen, acht hij onduidelijk waarom appellant is aangewezen op werk onder toezicht of begeleiding. Appellant heeft immers volgens de arbeidsdeskundige in zijn rapportage van 24 augustus 2010 in zijn laatste functie naar behoren gefunctioneerd. De verzekeringsarts acht het ontbreken van toetsing van de niveaus van toezicht of begeleiding waarbij de hulp van een jobcoach bij het inwerken nodig zou kunnen zijn en een score op 1.9.3 achterwege kan blijven door de primaire verzekeringsarts, ontoereikend. Bij FML van 23 april 2012 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep vervolgens, naast een aantal andere wijzigingen in de scores bij persoonlijk functioneren, de score 1.9.3 (werken onder toezicht of begeleiding) geschrapt.


4.3.

De Raad is van oordeel dat ten aanzien van het onder 4.2 genoemde beoordelingspunt de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 23 april 2012 met een niet overtuigende motivering op het punt van werken onder toezicht en begeleiding is afgeweken van het advies van de primaire verzekeringsarts. Wat er overigens verder zij van deze motivering, uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt verder dat appellant in ieder geval is aangewezen op enige begeleiding. De Raad stelt vervolgens vast dat uit het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 29 mei 2012 niet valt op te maken of is uitgezocht of deze mate van begeleiding voorhanden is in de bij de schatting betrokken functies.


5. Uit 4.1 tot en met 4.3 vloeit voort dat het bestreden besluit berust op een gebrekkige motivering, zodat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.


6. Er is aanleiding het Uwv met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet op te dragen binnen zes weken de FML opnieuw vast te stellen en het gebrek in de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit te herstellen.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen.



Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en R.E. Bakker en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2015.




(getekend) J.W. Schuttel




(getekend) E. Heemsbergen






GdJ