Centrale Raad van Beroep, 04-02-2015 / 13-5975 AWBZ


ECLI:NL:CRVB:2015:387

Inhoudsindicatie
Terugvordering pgb. Appellant heeft niet voldaan aan zijn verplichting om verantwoording af te leggen over de ingekochte zorg aan het Zorgkantoor en de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid. Appellant is ook gewezen op de verplichting om verantwoording af te leggen. Het risico is voor appellant. Dit uitgangspunt blijft ook overeind indien het gehele beheer van het pgb, inclusief de verantwoording van de besteding, door een ander dan de verzekerde is verricht, in dit geval de moeder van appellant. Dat zijn moeder geen hulp heeft gezocht bij de verantwoording van het pgb, komt in dit verband voor rekening en risico van appellant.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-04
Publicatiedatum
2015-02-17
Zaaknummer
13-5975 AWBZ
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5975 AWBZ

Datum uitspraak: 4 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

18 oktober 2013, 13/486 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

Stichting Zorgkantoor Menzis (Zorgkantoor)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F. Bakker, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2014. Voor appellant is mr. Bakker verschenen. Het Zorgkantoor heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

Na de zitting heeft de Raad het onderzoek heropend en appellant in de gelegenheid gesteld nadere stukken in te dienen.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het Zorgkantoor heeft een reactie op de ingediende stukken gegeven.

Partijen hebben vervolgens toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant, geboren in 1995, heeft op 1 januari 2005 met zijn moeder, [naam moeder], een zorgovereenkomst gesloten. Het Zorgkantoor heeft appellant een persoonsgebonden budget (pgb) verleend voor de jaren 2006 en 2007 op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.


1.2.

Bij besluit van 17 mei 2007 heeft het Zorgkantoor de eindafrekening van het pgb over het jaar 2006 opgemaakt. Hierbij heeft het Zorgkantoor voor zover van belang vastgesteld dat aan appellant in 2006 een bedrag van € 9.981,92 is toegekend, dat een bedrag van € 2.010,- is verantwoord en dat een bedrag van € 6.771,04 van appellant wordt teruggevorderd.


1.3.

Bij besluit van 13 augustus 2008 heeft het Zorgkantoor de eindafrekening van het pgb over de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 maart 2007 opgemaakt. Hierbij heeft het Zorgkantoor voor zover van belang vastgesteld dat aan appellant in 2007 een bedrag van

€ 2.398,24 is toegekend € 950,88 is overgeheveld van 2006, dat nihil is verantwoord en dat een bedrag van € 3.349,12 van appellant wordt teruggevorderd.


1.4.

Bij besluit van 27 maart 2013 (bestreden besluit) heeft het Zorgkantoor de bezwaren tegen de besluiten van 17 mei 2007 en 13 augustus 2008 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het Zorgkantoor ten grondslag gelegd dat appellant niet in overeenstemming met de verplichtingen, die zijn verbonden aan de verlening van het pgb, heeft gehandeld en dat de verantwoorde bedragen onvoldoende worden onderbouwd door middel van de door hem aangeleverde zorgovereenkomst, declaraties en betaalbewijzen. Het Zorgkantoor ziet gelet op de gebreken in de verantwoording geen aanknopingspunten om alsnog een (aanvullend) bedrag te accepteren, als kosten die ten laste van het pgb over het jaar 2006 en de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 maart 2007 mogen worden gebracht. Het Zorgkantoor heeft de individuele belangen van appellant afgewogen tegen de belangen van het Zorgkantoor en in dat verband het volgende overwogen. Het Zorgkantoor moet op een verantwoorde en doelmatige wijze omgaan met maatschappelijke middelen en kan in dat kader aan de budgethouder vragen om de verantwoording te onderbouwen met rechtsgeldige bewijsstukken. Het Zorgkantoor heeft geconstateerd dat in dit geval geen sprake van een sluitende onderbouwing is. Hoewel het bestreden besluit eerder afgegeven had kunnen en moeten worden, kan en mag dat volgens het Zorgkantoor niet betekenen dat verplichtingen, verbonden aan het pgb, in dit geval niet van toepassing zijn. Het Zorgkantoor is daarom van oordeel dat de belangen van appellant moeten wijken voor de belangen van het Zorgkantoor.


2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen. Het Zorgkantoor heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant niet aan zijn verantwoordingsplicht heeft voldaan. In de declaratieformulieren worden bedragen per maand gedeclareerd, terwijl de periode een kwartaal beslaat. Ook de kwitanties geven geen duidelijk beeld van de besteding van het pgb nu hier wisselende bedragen voor wisselende perioden worden genoemd. Hiermee heeft appellant niet voldaan aan zijn op grond van artikel 2.6.9 van de Regeling subsidies AWBZ (RsA) bestaande verplichting om verantwoording af te leggen over de ingekochte zorg aan het Zorgkantoor. Dat appellant of zijn moeder moeite met de materie heeft, ontslaat hem niet van deze verplichting.


3. Appellant heeft de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden en aangevoerd dat het aan hem toegekende pgb over de jaren 2006 en 2007 voldoende is verantwoord. Bij de verantwoording van het pgb heeft hij dringend hulp van zijn moeder nodig. Ook zijn moeder is zonder hulp niet of niet voldoende in staat om verantwoording af te leggen. Het gevolg daarvan is geweest dat de verantwoording van het pgb geruime tijd op zich heeft laten wachten. Uiteindelijk is een en ander van de kant van appellant wel correct aangeleverd. Ten onrechte vordert het Zorgkantoor dan ook een bedrag van appellant terug.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Ingevolge artikel 4:46, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) stelt het bestuursorgaan, indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast. Artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Awb bepaalt dat de subsidie lager kan worden vastgesteld indien de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.


4.2.

Ingevolge artikel 4:95 van de Awb kunnen betaalde voorschotten worden verrekend met de te betalen geldsom en kunnen onverschuldigd betaalde voorschotten worden teruggevorderd.


4.3.

De besluiten van 17 mei 2007 en 13 augustus 2008 moeten worden aangemerkt als een vaststellingsbeschikking als bedoeld in 2.6.13, tweede lid, van de RsA en artikel 4:46 van de Awb. Deze besluiten dienen tevens te worden aangemerkt als een terugvorderingsbesluit als bedoeld in artikel 4:95 van de Awb.


4.4.

Appellant heeft in hoger beroep geen wezenlijk nieuwe of andere gronden naar voren gebracht of redenen vermeld waarom de rechtbank tot een ander oordeel had moeten komen. De rechtbank heeft de beroepsgronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom deze niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellant niet heeft voldaan aan zijn op grond van artikel 2.6.9 van de RsA bestaande verplichting om verantwoording af te leggen over de ingekochte zorg aan het Zorgkantoor en de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid.


4.5.

Dit betekent dat het Zorgkantoor op grond van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Awb bevoegd was om het pgb over het jaar 2006 lager vast te stellen dan het bij de verlening bepaalde bedrag en het pgb over de periode van 1 januari 2007 tot en met

31 maart 2007 op nihil vast te stellen. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van

1 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9635) dient het Zorgkantoor de discretionaire bevoegdheid om pgb’s lager vast te stellen uit te oefenen met inachtneming van het geschreven en het ongeschreven recht, daaronder begrepen de in artikel 3:4 van de Awb neergelegde verplichting tot evenredige belangenafweging. Daarbij zal een afweging moeten worden gemaakt tussen het belang van handhaving van de niet nagekomen verplichting en de gevolgen van de verlaging voor de ontvanger, waarbij tevens de ernst van de tekortkoming en de mate waarin deze aan de ontvanger kan worden verweten van belang is (Kamerstukken II 1993/94, 23700, nr. 3, p. 74).


4.6.

De door appellant aangevoerde omstandigheden maken niet dat geoordeeld moet worden dat het Zorgkantoor niet in redelijkheid tot de door hem gemaakte belangenafweging heeft kunnen komen. Hiertoe overweegt de Raad dat voorop staat dat de verantwoording van de besteding van het pgb de eigen verantwoordelijkheid is van de verzekerde. Appellant is ook gewezen op de verplichting om verantwoording af te leggen. Dit uitgangspunt blijft ook overeind indien het gehele beheer van het pgb, inclusief de verantwoording van de besteding, door een ander dan de verzekerde is verricht, in dit geval de moeder van appellant. Dat zijn moeder geen hulp heeft gezocht bij de verantwoording van het pgb, komt in dit verband voor rekening en risico van appellant. Verder kan uit de gedingstukken niet worden afgeleid dat in de periode hier in geding de overeengekomen zorg daadwerkelijk is verleend en betaald, ook niet uit de na heropening van het onderzoek door appellant ingediende stukken. De Raad heeft appellant in de gelegenheid gesteld de aangiften inkomstenbelasting, de voorlopige aanslagen en de definitieve aanslagen over de jaren 2006 en 2007 van de moeder van appellant in te dienen naar aanleiding van de stelling van appellant ter zitting van de rechtbank dat zijn moeder inkomsten uit het pgb heeft gehad en dat deze inkomsten aan de Belastingdienst zijn gemeld. De vervolgens door appellant ingediende stukken hebben echter, nog daargelaten dat het slechts uitkeringspecificaties alsmede brieven van gerechtsdeurwaarders en de kredietbank betreft, uitsluitend betrekking op andere jaren dan de jaren 2006 en 2007.


4.7.

Ten aanzien van de terugvordering heeft appellant geen afzonderlijke gronden ingediend. De Raad zal de terugvordering daarom buiten bespreking laten.


4.8.

Gelet op het vorenstaande slaagt het hoger beroep niet en komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking. Daaruit volgt dat het verzoek om schadevergoeding moet worden afgewezen.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.



Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en M.F. Wagner en D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2015.




(getekend) A.J. Schaap




(getekend) E. Heemsbergen




NK