Centrale Raad van Beroep, 13-02-2015 / 13-1477 ZW


ECLI:NL:CRVB:2015:388

Inhoudsindicatie
Geen recht meer op ZW-uitkering. Niet meer ongeschikt voor zijn arbeid.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-13
Publicatiedatum
2015-02-17
Zaaknummer
13-1477 ZW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/1477 ZW

Datum uitspraak: 13 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

6 februari 2013, 12/2782 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. V.J.M. Janszen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift, met als bijlage een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, ingediend.

Namens appellant zijn de gronden van het hoger beroep aangevuld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2014. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Janszen. Het Uwv is - met bericht - niet verschenen.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant, voorheen van 28 oktober 2008 tot en met 28 oktober 2010 werkzaam als financieel administratief medewerker bij [werkgever] voor 40 uur in de week, heeft zich vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet per 18 januari 2011 ziek gemeld vanwege rug-, nek- en schouderklachten. Daarnaast was sprake van klachten van de linkerhand, waarvan in juni 1994 de wijsvinger gedeeltelijk is geamputeerd. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellant een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) ontvangen. Appellant heeft in het kader van deze ziekmelding een aantal keren het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht, laatstelijk op 16 maart 2012. Deze arts is, op basis van dossierstudie, bevindingen uit voorgaande spreekuuronderzoeken en informatie van de behandelend sector tot de conclusie gekomen dat appellant met ingang van 23 maart 2012 weer geschikt is te achten voor zijn werk als administratief boekhoudkundig medewerker. Bij besluit van 16 maart 2012 heeft het Uwv dienovereenkomstig het recht op ziekengeld van appellant met ingang van 23 maart 2012 beëindigd.


1.2.

Na een herbeoordeling door een verzekeringsarts bezwaar en beroep, heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 maart 2012 bij besluit van 7 mei 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen geen grond te zien voor het oordeel dat het Uwv het onderzoek niet op een voldoende zorgvuldige wijze heeft uitgevoerd of op ontoereikende wijze heeft gemotiveerd dat appellant op de datum in geding weer in staat kon worden geacht tot het verrichten van zijn eigen werk als boekhouder. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat de artsen van het Uwv zich bij hun oordeelsvorming niet alleen hebben laten leiden door eigen onderzoeksbevindingen, maar dat ook informatie is opgevraagd en verkregen van de behandelend plastisch chirurgen en dat die informatie is betrokken in de uiteindelijke beoordeling. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat de beroepsgronden van appellant, dat het Uwv niet beschikte over alle medische informatie, dat de visie van de behandelend artsen door het Uwv onjuist geïnterpreteerd is en dat het bestreden besluit innerlijk tegenstrijdig is, niet slagen. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat door de artsen van het Uwv diverse keren bij de behandelend sector medische informatie is opgevraagd en dat deze is verkregen en bij de beoordeling is betrokken. De rechtbank heeft tevens vastgesteld dat de behandelend plastisch chirurg Van der Pot te kennen heeft gegeven dat appellants pijnklachten niet objectiveerbaar zijn en daarnaast overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn conclusie dat de bij appellant aanwezige pijnklachten hem minder in zijn werk beperken dan door appellant wordt gesteld, voldoende duidelijk en inzichtelijk heeft toegelicht. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat het aanvankelijk voortzetten van de ZW-uitkering gebaseerd was op de lopende behandeling en in die fase de diagnose en behandelmogelijkheden (nog) niet volledig duidelijk waren. Op de datum in geding was appellant echter niet meer onder behandeling en gaf de van de behandelend sector verkregen informatie voldoende duidelijkheid.


3. In hoger beroep heeft appellant in essentie gelijke gronden als in beroep aangevoerd. Samengevat stelt appellant zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte het medisch onderzoek door het Uwv voldoende zorgvuldig heeft geacht. Het Uwv heeft inschattingen over de arbeidsongeschiktheid van appellant gemaakt zonder de beschikking te hebben over diverse gegevens uit de behandelend sector en over eensluidende medische gegevens. Volgens appellant is de verzekeringsarts niet consistent gebleven in zijn oordeel over de arbeidsongeschiktheid aangezien de klachten en beperkingen van appellant op de datum in geding gelijk zijn aan die ten tijde van de ziekmelding. Appellant acht zichzelf niet in staat om per de datum in geding zijn arbeid te verrichten.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Voor het toepasselijk wettelijk kader wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Daaraan wordt toegevoegd dat op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW ten aanzien van appellant, die zich als werkloze werknemer ziek heeft gemeld, onder zijn arbeid wordt verstaan de werkzaamheden als administratief boekhoudkundig medewerker die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend voor die arbeid zijn.


4.2.

De rapporten van de verzekeringsartsen van het Uwv zijn gebaseerd op zorgvuldige onderzoeken en vormen een voldoende medische grondslag voor het oordeel dat appellant per 23 maart 2012 niet ongeschikt was voor zijn arbeid. Op grond van de beschikbare gegevens waaronder de in beroep en hoger beroep overgelegde rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 3 mei 2012, 18 juli 2012 en 8 april 2013 is afdoende door het Uwv gemotiveerd dat appellant wel beperkingen had, maar dat deze beperkingen geen belemmering vormden voor appellant om zijn arbeid te verrichten.


4.3.

Nu appellant in hoger beroep zijn standpunt, dat zijn medische beperkingen zijn onderschat, niet met nadere medische stukken heeft onderbouwd, wordt geen aanleiding gezien anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Het Uwv heeft appellant terecht met ingang van 23 maart 2012 in staat geacht om zijn arbeid te verrichten.


4.4.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.



Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2015.



(getekend) Ch. van Voorst




(getekend) H.J. Dekker




TM