Centrale Raad van Beroep, 13-02-2015 / 13-283 ZW


ECLI:NL:CRVB:2015:389

Inhoudsindicatie
Ter discussie staat uitsluitend de geschiktheid van appellante op 1 december 2011 voor ten minste één van de in het kader van de WAO geduide functies. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dit oordeel is gebaseerd. Appellante wordt niet gevolgd in haar stelling dat de rechtbank ten onrechte het onderzoek door de artsen van het Uwv zorgvuldig heeft geacht. Gelet op de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep uitgebrachte rapporten kan niet worden volgehouden dat het medisch onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt onvoldoende zorgvuldig is. Verder wordt het standpunt van appellante, dat haar op de datum in geding aanwezige lichamelijke beperkingen zijn onderschat, niet onderschreven. Appellante heeft in hoger beroep geen (nieuwe) medische informatie overgelegd waaruit blijkt dat de artsen van het Uwv, per datum in geding, de beperkingen van appellante onjuist hebben vastgesteld, zodat geen aanleiding wordt gezien anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-13
Publicatiedatum
2015-02-23
Zaaknummer
13-283 ZW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/283 ZW

Datum uitspraak: 13 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

20 december 2012, 12/995 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.W.M. Lenting, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Lenting. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.J.M.M. de Poel.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante ontving in verband met (vermeende) baarmoederkanker en longklachten vanaf februari 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van

26 september 2006 is de WAO-uitkering per 27 november 2006 ingetrokken. Appellante werd daarbij geschikt geacht voor de functies van inpakster, machinaal metaalbewerkster en wikkelaar. Appellante heeft zich vervolgens vanuit de situatie dat zij een werkloosheidsuitkering ontving op 1 maart 2011 ziek gemeld met klachten van (sinds 2009 bestaande) jeuk over het hele lichaam en vermoeidheidsklachten, verder is zij bekend met hart(vaat)klachten, hoge bloeddruk en astma.

In verband met haar ziekmelding is appellante een aantal keren op het spreekuur van de verzekeringsarts gezien en onderzocht, laatstelijk op 28 november 2011. Deze arts heeft appellante per 1 december 2011 geschikt t geacht voor de in het kader van de WAO geduide functies. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 28 november 2011 vastgesteld dat appellante met ingang van 1 december 2011 geen recht meer heeft op ziekengeld.


1.2.

Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv - in navolging van de bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, neergelegd in diens rapport van 19 januari 2012 - bij besluit van 23 januari 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het medisch onderzoek op zorgvuldige wijze plaatsgevonden en kan het de getrokken conclusie dragen. De klachten van appellante waren bekend en hiermee is rekening gehouden bij het opstellen van de medische rapporten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zich meermalen gemotiveerd uitgelaten over de door appellante in beroep geclaimde vermoeidheidsklachten en de daartoe overgelegde medische informatie. Uit de medische informatie kan niet worden afgeleid dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvolledig beeld heeft gehad van de medische situatie van appellante per 1 december 2011.


3. In hoger beroep herhaalt appellante haar standpunt dat het onderzoek door de artsen van het Uwv onzorgvuldig is geweest. Voorts stelt zij dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in onvoldoende mate rekening heeft gehouden met haar klachten en daaruit voortkomende beperkingen die er op 1 december 2011 bestonden. Samengevat stelt appellante zich op het standpunt dat zij door haar beperkingen niet in staat is de functies van machinaal metaalbewerkster en wikkelaar te verrichten.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO. Daarbij is het voldoende indien de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies.


4.2.

In deze procedure staat uitsluitend de geschiktheid van appellante op 1 december 2011 voor ten minste één van de in het kader van de WAO geduide functies ter discussie.


4.3.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dit oordeel is gebaseerd. Appellante wordt niet gevolgd in haar stelling dat de rechtbank ten onrechte het onderzoek door de artsen van het Uwv zorgvuldig heeft geacht. Zij is in het kader van de beoordeling van haar belastbaarheid diverse keren op het spreekuur van de verzekeringsarts verschenen en door deze arts onderzocht. De bevindingen van deze arts en de daaruit voortkomende conclusie, namelijk dat appellante per 1 december 2011 geschikt te achten is voor haar arbeid, is onderschreven door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Ook deze arts heeft appellante lichamelijk onderzocht en mede op basis van informatie van de behandelend sector, het standpunt van de verzekeringsarts onderschreven. Gelet op de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep uitgebrachte rapporten kan niet worden volgehouden dat het medisch onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt onvoldoende zorgvuldig is.


4.4.

Voorts wordt het standpunt van appellante, dat haar op de datum in geding aanwezige lichamelijke beperkingen zijn onderschat, niet onderschreven. Appellante heeft zich destijds ziek gemeld met jeukklachten en daarnaast was zij bekend met klachten ten gevolge van COPD, diabetes mellitus (DM) en hoge bloeddruk. Ten tijde van het onderzoek op

28 november 2011 heeft appellante aangegeven dat zij vanwege de aanwezigheid van DM en COPD meer van haar huisarts moet bewegen. Voorts heeft appellante wederom jeukklachten naar voren gebracht. Uit het rapport blijkt niet dat appellante ten tijde van het spreekuur klachten had ten gevolge van een urineweginfectie, waaronder koortsklachten. Evenmin heeft appellante aangegeven dat zij, vanwege jeukklachten, slaapproblemen- en vermoeidheidsklachten had. Uitgaande van de claimklachten, dossierstudie, onderzoeksbevindingen en informatie van de behandelend sector heeft de verzekeringsarts appellante geschikt geacht voor het verrichten van haar arbeid. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vervolgens in zijn rapport van 19 januari 2012, uitgaande van de gronden van bezwaar, de claimklachten - waarbij wederom geen slaapproblemen of vermoeidheidsklachten zijn aangegeven - ,onderzoeksbevindingen en verkregen informatie van de behandelend sector het standpunt van de verzekeringsarts onderschreven. Zoals ook blijkt uit de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 29 oktober 2012, 13 februari 2013 en 17 maart 2014, welke zijn opgemaakt naar aanleiding van onder meer overgelegde medische gegevens in beroep en hoger beroep, de artsen van het Uwv de aanwezigheid van beperkingen voortkomende uit de COPD, DM en de jeukklachten. Zij stellen zich echter op het standpunt dat deze beperkingen niet dusdanig van aard zijn dat appellante niet in staat geacht kan worden haar arbeid te verrichten.


4.5.

Nu appellante in hoger beroep geen (nieuwe) medische informatie heeft overgelegd waaruit blijkt dat de artsen van het Uwv, per datum in geding, de beperkingen van appellante onjuist hebben vastgesteld wordt geen aanleiding gezien anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Het Uwv heeft appellante terecht met ingang van 1 december 2011 weer in staat geacht tot het verrichten van haar arbeid.


4.6.

Hetgeen in 4.1 tot en met 4.5 is overwogen leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2015.



(getekend) Ch. van Voorst




(getekend) H.J. Dekker




TM